Opinie

Speelplezier

Links: Ontwerp voor het Second Livestock-kippenhok met cilinders.Rechts: De virtuele wereld waarin Second Livestockkippen leven.

Buurmeisjes blijven buurmeisjes, ook Petra, al was ze inmiddels 50 jaar geworden en woonde ze allang niet meer naast ons. Ze gaf een feestje voor familie en vrienden en had daarvoor een origineel idee bedacht. Ze bood ons in een fraaie, voormalige kapel in de bibliotheek van Laren een programma aan van een artiest die haar diep getroffen had.

Zijn naam was Edwin Schimscheimer, een muzikant en liedjesschrijver voor onder anderen Paul de Leeuw, Willeke Alberti en Ruth Jacott. Zijn programma heette Engelen op je pad en hij bezong daarin de mensen die veel voor hem hadden betekend op zijn kronkelige levenspad. Via hem wilde Petra een ode brengen aan ons; of wij ook voor andere mensen altijd engelen waren geweest, laat ik in het midden.

Het werd een mooie avond. Schimscheimer bleek een voortreffelijke zanger en zijn melancholieke repertoire mocht er ook zijn. Hij begeleidde zichzelf op de piano en praatte zijn liedjes met verhaaltjes aan elkaar. Met aanstekelijk plezier werkte hij zijn programma af, je kon merken dat hij het leuk vond om op te treden. Voor hem waren zulke optredens bijzaak, hij verdiende als muzikant op allerlei manieren de kost, dit was er één van.

Het speelplezier van muzikanten, beroeps of amateur, is mij vaak opgevallen; het heeft iets benijdenswaardigs. Enkele dagen vóór Petra’s feestje had ik op een mooie namiddag een identieke ervaring op de Torensluis in Amsterdam, de plek aan het Singel met het beeld van Multatuli.

Er kwam uit het niets een helblauwe oldtimer, een Pontiac Bonneville uit 1967, met open kap de sluis op gezwierd. De auto werd tussen de geschrokken Multatuli en een goedbezet caféterras geparkeerd. Er stapten drie mannen uit, gehuld in zwarte, leren kleding die binnen vijf minuten een geluidsinstallatie uit hun auto sleurden en op de achterkap opstelden, elektrische gitaren en een drumstel erbij haalden en zich aan het publiek voorstelden. Het was een muzikale overval, uitgevoerd door ongewapende rock-’n-rollbandieten.

„We zijn op de vlucht voor de politie,” zei de leider die met microfoon op de voorkap stond, „we kunnen dus maar kort optreden, we brengen alle verzoeknummers, behalve Una Paloma Blanca.”

Ze noemden zich Johnny & The Gangsters of Love en ze maakten al jarenlang met hun bliksemoptredens Nederlandse binnensteden onveilig. Op de Torensluis gaven ze opwindende versies van These boots are made for walking en Johnny B. Goode ten beste. Het publiek stroomde toe, de fotograferende mobieltjes in de aanslag, en waagde een dansje. Het zonnetje scheen, de rock spatte tegen de grachtengevels op, we waren saaiere straatmuziek gewend.

Toen verscheen er een motoragent. We hielden onze adem in. Hij reed stapvoets over de sluis, vlak langs de bandleden die doorgingen alsof ze niets merkten. De agent stopte beneden aan de brug, luisterde enkele minuten roerloos, draaide toen zijn motor opzij en verdween.

De band vond het ook welletjes en nodigde ons uit een oranje emmertje te vullen met munten die we anders toch maar zouden verspillen. De leider, ook wel bekend als Johnny Solo, ging zelf met het emmertje het terras op.

Ze verdwenen even snel als ze gekomen waren, gedrieën naast elkaar gezeten op de royale voorbank van hun Pontiac. Terwijl ze wegscheurden zwaaiden ze uitgelaten naar het publiek. Ze genoten. Ze hadden weer eens van zich laten horen.

Frits Abrahams