Povere botsing van artistieke ego’s

Vijf cabaretiers treden samen op en noemen zich De Elite. Veel lijn zit er niet in hun programma, dus gaan ze maar ruzie maken.

Een gezelschap van vijf cabaretiers en zangers dat zichzelf De Elite noemt, moet ironie wel als een belangrijk stijlmiddel beschouwen. Maar de ironie blijft uit zicht bij Theo Nijland, Daniël Arends, Daniël Samkalden, Maartje Teussink en Peter de Rooij, die hun voorstelling beginnen met close harmony. Onderlinge bewondering is de drijfveer om samen op te treden, zeggen ze.

Maar wat ze van elkaar willen, wat ze dan goed vinden van elkaar en waarom ze samenwerken, wordt niet opgehelderd. Er is alleen de door Samkalden uitgesproken wens om met ‘amusementskunst’ iets nieuws neer te zetten en misschien wel het ‘theaterlandschap’ te veranderen.

Wat volgt is een vormeloze ratjetoe: een goocheltruc, een rap en een nondescript praatje over de teloorgang van taal en ironie. En dan is Theo Nijland opeens weg. Zomaar. De speculaties over zijn verdwijnen leggen gevoelens van afkeer en irritatie bloot tussen de andere mannen, waarna ook Peter de Rooij afdruipt.

Zo ontwikkelt de onderlinge haat en nijd, kennelijk bij gebrek aan een beter idee, zich tot het onderwerp van deze gelegenheidsgroep. Nu kan een verziekte relatie sterk theater opleveren, zoals Jacob Derwig en Maria Kraakman momenteel laten zien in hun huiveringwekkende Who’s afraid of Virgina Woolf. Maar deze botsing van kunstenaarsego’s is pover geformuleerd en houterig uitgevoerd. Het is noch een deconstructie van anti-chemie in een groep noch amusementskunst.

De een wordt een „ouwe flikker” genoemd, de ander „overschat”, maar ze raken elkaar niet echt met die oppervlakkige beledigingen en verwijten. Meer dan wat sarren wordt het niet en in die scènetjes tonen de mannen dat ze geen acteurs zijn.

Bij vlagen is het vermakelijk, zoals wanneer De Rooij wordt gedwongen tot een stand-up-act door Arends, die hem op cynische wijze door zijn publieksonvriendelijke act heen coacht. Als je maar afsluit met de woorden dat ze het beste publiek ooit waren, kun je bezoekers uitmaken voor wat je wil, luidt zijn advies. En dus wenst De Rooij ons dood, om ons daarna beleefd te bedanken voor onze aanwezigheid.

Er wordt niets gezegd om voor weg te lopen. Als publiek voortijds vertrekt, zoals ook zaterdag enkele mensen (en eerder in Capelle, zie hiernaast), dan zou dat toch moeten zijn omdat het verveeld is met dit niemendalletje.

Als Maartje Teussink, die buiten het geruzie is gebleven, als enige op het podium overblijft, speelt ze een liedje op gitaar. Waarna de mannen één voor één weer terugkeren en inhaken. Alsof er niks is gebeurd, spelen de vijf nog enkele liedjes, in opperbest humeur. Waarmee ze aantonen dat zelfs de lef ontbreekt om hun magere ideetje uit te werken.

Er is maar één troost voor zittenblijvers: Theo Nijland zingt aan het einde twee prachtige liedjes in zijn eigen weerbarstige stijl. Zo’n uitstalling van ieders onmiskenbare talenten had De Elite ook kunnen zijn.

    • Claudia Kammer
    • Ron Rijghard