Column

Niemandstijd

Je moet misschien uit een dorp komen om de stille vreugde te zien op een plek waar eindelijk weer eens wat gebeurt. Aan de Milhezerweg in Deurne, waar juwelier Goldies nog schuilging achter een politieafzetting, stonden zaterdag gepensioneerden in windjacks naast hun elektrische fietsen, helemaal klaar voor een tv-commentaar op het doodschieten van twee overvallers.

Ook in de Stationsstraat in het centrum sprak iedereen erover. Omroep Brabant klonk door een luidspreker. De zon scheen, de bomen werden groen en er was iets ergs gebeurd. Zolang de persconferentie nog niet begon, juichte in elk verhaal een opwindend plot.

Hier liep ik de andere juwelier van het dorp binnen: Van Hooff. Geen zaak met lage prijzen waar alleen contant mag worden afgerekend, zoals bij Goldies. Van Hooff is zo’n winkel waar je in Brabant een horloge voor een eerste communie koopt. Martien van Hooff (75) is de trotse grondlegger. Zijn zoon nam de zaak over, maar die was op een beurs in Bazel, dus Martien paste op. Ik kreeg koffie en een paaseitje aan een tafeltje waar je de gouden armbanden mag bekijken – maar niemand krijgt meer alles tegelijk te zien, zei Martien, want je kunt uit het uiterlijk van mensen gewoon niet meer afleiden of ze goed of slecht zijn.

Achttien inbraken en ramkraken maakte hij zelf mee. Zijn laatste was in 2006. Martien sliep boven de zaak toen ze inreden op de pui. Hij is op het plat dak gesprongen. „En dan zie je één, twee, drie, vier, verdomme, vijf, zés man naar buiten komen.” In machteloze woede heeft hij er nog flessen bier achteraan staan gooien. Een schietschijf was hij, maar de adrenaline drukte dat besef weg.

Bij de voorlaatste kraak riep hij vanaf het dak „Vuile Turken!”. Dat vond de verdediging later in de rechtszaal nog bijzonder discriminerend: „Het waren Pólen.”

Bij die laatste kraak was het alsof er een bom was afgegaan. Hij heeft een uur in die puinhoop zitten huilen. Wilde de zaak sluiten, maar zijn zoon zei: „We laten ons niet onder schoefelen.” Brabants voor ‘dit krijgt ons niet klein’. Drie maanden later kreeg Martien toch een hartinfarct, volgens zijn cardioloog als gevolg van opgekropte stress.

Martien Van Hooff kan zich de gang van zaken bij Goldies kortom inbeelden. Alleen zou hij nooit schieten. Hij bleef tegen wapens, en dan nog. Je kunt iemand in zijn knieën schieten, zei hij. In zijn ballen, voor zijn part. „Maar doodschieten is goddomme heftig, hè. Dat is niet niks.”

Hij begon zijn zaak als uurwerkhersteller, in 1970, toen een horloge nog „om en nabij de tijd aangaf”. Ik lachte. Nee echt, zei Martien, tegenwoordig beginnen ze al te mekkeren als een horloge 10 seconden achterloopt, maar toen zette je het aan het eind van iedere dag gewoon weer een minuut of drie vooruit.

God ja, zei ik, want ik zag opeens mijn vader weer geduldig hetzelfde doen. Drie minuten per dag was nog niets: niemandstijd. Nu duurt een ramkraak korter.