Met een hond kom je de taxi niet in

En toch gaat het iets beter met de Amsterdamse taxibranche, zo staat vandaag in een rapport dat naar de raad gaat.

Agenten beboeten een taxichauffeur die een klant met een hond weigerde mee te nemen. Foto Roger Cremers

Ineens hebben alle taxichauffeurs bij het Centraal Station in Amsterdam last van allergie. Dat gebeurt zodra Walter en Daniëlle met een hond willen instappen. En geen kleintje ook, een Japanse kishu. Misschien dat zwarte busje, wijzen de chauffeurs. Nee, die is ook allergisch.

De ‘allergische’ chauffeurs hebben pech deze nacht. Walter Tonkens en Danielle Mol zijn geen gewone klanten maar mystery guests, die de chauffeurs controleren en daarbij in contact staan met de politie. Ze hebben de nummers van de taxi’s genoteerd en wandelen weer weg. Met hond.

Met 50 man van Stadstoezicht, de politie, de Belastingdienst en nog enkele andere ambtelijke diensten, werd van vrijdag op zaterdag een grootscheepse controle gehouden op de naleving van de taxiverordening. Die geldt sinds 1 juni 2013 en was vooral bedoeld om de rampzalige dienstverlening in de Amsterdamse taxibranche te verbeteren. Sindsdien mogen alleen toegelaten taxiorganisaties in de stad klanten oppikken. Rotterdam heeft ook het systeem van toegelaten taxi-organisaties ingevoerd, Den Haag is bezig het te doen. In Amsterdam zijn nu twaalf van die TTO’s.

Manager Fred Schara en teamleider Metin Tetik stappen in een kleine Volkswagen Polo en rijden de hele nacht door de binnenstad om het oog te houden op de actie.

In de driekwart jaar dat de verordening geldt, is volgens Schara en Tetik zeker vooruitgang geboekt. Ze durven 70 procent van de chauffeurs „goed” te noemen. Goed wil zeggen dat ze zich beleefd gedragen, dat ze geen rit weigeren, ook niet als die te kort is naar hun zin, dat ze niet omrijden en dat ze hun meter duidelijk zichtbaar in de auto hebben.

Vandaag stuurt burgemeester Van der Laan een tussenrapportage naar de gemeenteraad. Daarin zal, verwacht zijn woordvoerder, „een voorzichtige verbetering” in het oordeel van de klanten zichtbaar zijn.

Naast het Polootje stopt een taxi voor het rode licht. Het raam zakt omlaag. „Zijn jullie weer bezig?”, vraagt de chauffeur met een grijns. „Hoezo, bezig?”, zegt Tetik met een uitgestreken gezicht. De actie is een dag eerder al uitgelekt onder de chauffeurs. „Hij is een van de goeien”, zegt Schara.

Op de Leidsekade komt een Nissan achteruit gescheurd en draait een lege plek in. „Snorder”, zeggen Schara en Tetik tegen elkaar. „Honderd procent.” „Was het een jong Marokkaantje?”

Snorders zijn chauffeurs die illegaal hun diensten aanbieden. In de stad zijn er nu veel, zegt Schara. Hij onderscheidt drie groepen: de chauffeurs uit Zuidoost, waar snorren een „sociale functie” vervult; in het verre stadsdeel rijden vrijwel geen gewone taxi’s. Ten tweede de gelukszoekers in de binnenstad, die vooral in het weekend zwart willen bijverdienen. En dan zijn er de echte bendes, jongens die klanten ronselen op het Leidseplein. Zij rijden in versleten auto’s, ze verkopen drugs en nepdrugs en als het even tegenzit, beroven ze ook nog hun klanten. Doorgewinterde criminelen.

Misschien zijn de snorders een crisisverschijnsel, denkt Schara. „Maar het kan ook komen doordat de taxiwereld veel relaxter is dan vroeger. In de jaren negentig zouden taxichauffeurs de snorders met ijzeren staven van de Nieuwmarkt hebben geslagen. Nu werken ze hier soms samen; de legale chauffeurs geven de korte ritjes aan de snorders.” Als ze weer een versleten auto wegtakelen, wrijven de handhavers in hun handen.

In de pauze halverwege de nacht worden ervaringen uitgewisseld. Taxichauffeurs die geen wisselgeld geven. Auto’s waar de meter is weggestopt. Een jonge chauffeur die de meter „per ongeluk” op dubbel tarief had gezet. („Die was drie weken geleden nog een snorder”, zegt Tetik.) Lomp gedrag. Geen bonnetje geven. Dat laatste gebeurt het meest.

Alie en Ute hebben zich voorgedaan als Amerikaanse vriendinnen. Ute werd met haar grijzende kroeshaar door een chauffeur aangezien voor Whoopi Goldberg. Ze heeft ook gedaan of ze aangeschoten was. De zeven ritjes die ze maakten, verliepen probleemloos.

Even na drieën proberen Walter Tonkens en Danielle Mol nog eens met hun hond in een taxi te komen. Bijna lukt het, maar als de chauffeur omloopt, deinst hij achteruit. „Is het een blindegeleidehond?”, vraagt hij. „Dat maakt niet uit”, zegt Mol. Maar ze komen er niet in. „Ga”, zegt Tetik in zijn portofoon. Een dienstauto trekt op tot aan de taxistandplaats. Tonkens en Moll staan net te overleggen bij de volgende hoofdschuddende chauffeur. Totdat die ziet dat een groepje handhavers de standplaats oploopt. „Hij schopte ons gewoon met hond en al de bus in”, zal Tonkens zeggen als hij terug is van een heel kort ritje; want dat is de tweede proef die de chauffeur moet doorstaan.

De eerste chauffeur probeert met een handgebaar een beroep te doen op een hondenallergie. „Heeft u een briefje van de dokter?”, vraagt de reusachtige agent terwijl hij rustig aan zijn boete doorschrijft.

„Toch nog een beetje actie gehad”, zegt Tetik, want het zal verder een rustige nacht blijven. Een paar handenvol boetes, enkele tientallen ‘rapporten van bevindingen’, waarschuwingen die naar de taxibedrijven gaan, waarmee de directie disciplinaire maatregelen tegen chauffeurs kan nemen. Eigenlijk een goed teken dat het wat saai was, zegt Schara. „Wij moeten hen helpen goede chauffeurs te worden. En kennelijk begint het te lukken.”

    • Bas Blokker