De vaderlijke overerving van geweld

Geweldigdadigheid ontstaat door blootstelling aan een gewelddadige vader.

Gewelddadig gedrag zit in de familie. Zonen van vaders die zijn veroordeeld voor geweldsmisdrijven hebben een twee tot drie keer grotere kans zelf zo’n misdrijf te plegen dan zonen van niet-gewelddadige vaders. Dat ontdekte criminoloog Steve van de Weijer. Hij onderzocht de mannelijke nakomelingen van jongens die een eeuw geleden op een Nederlandse tuchtschool zijn geplaatst. Donderdag promoveerde hij aan de rechtenfaculteit van de Vrije Universiteit.

Van de Weijer gebruikte gegevens uit de zogeheten Transfive studie. Beginpunt van dit onderzoek zijn 198 jongens die tussen 1911 en 1914 naar een Nederlandse tuchtschool werden gestuurd, uit bezorgdheid over probleemgedrag of omdat hun ouders volgens voogdijverenigingen niet in staat waren om goed voor hen te zorgen. Van de Weijer stelde zijn steekproef samen uit de zonen, kleinzonen en achterkleinzonen van deze tuchthuisklanten. Demografische gegevens ontleende hij aan de Gemeentelijke Basis Administraties. Voor crimineel gedrag ging hij af op door Justititie geregistreerde veroordelingen.

Gewelddadig gedrag, ontdekte Van de Weijer, concentreert zich in een beperkt aantal families. Vijf procent van de gezinnen was verantwoordelijk voor meer dan de helft van alle geweldsdelicten gepleegd door personen in de steekproef. Tien procent van de gezinnen was verantwoordelijk voor 70 procent van de geweldsdelicten; en alle geweldsdelicten werden gepleegd door een kwart van de gezinnen. De concentratie van geweldsdelicten blijkt sterker te zijn dan de concentratie van niet-geweldsdelicten (beroving, diefstal).

Van de Weijer vond duidelijk bewijs voor overdracht van gewelddadig gedrag van vader op zoon. Die bleek per generatie sterker te worden. Voor de overdracht van niet-geweldsdelicten was veel minder bewijs. Geweld van de moeder kan ook een rol spelen, erkent Van de Weijer desgevraagd. „Maar geweldsdelicten door vrouwen komen vooral in de oudste generatie zo weinig voor dat je ze niet kunt verwerken in een statistische analyse.”

Het onderzoek legt statistische verbanden bloot, maar hoe gaat de overdracht in zijn werk? Van de Weijer: „Uit mijn resultaten kun je geen gedetailleerde conclusies trekken over mechanismen. Wel zien we dat het tijdstip van het delict van de vader sterke invloed heeft op de mate van overdracht. Voor de geboorte zien we geen invloed, en tijdens de volwassenheid van het kind ook niet. Ook is de overdracht aanzienlijk groter wanneer de ouders van het kind in diens jeugd niet gescheiden zijn. Dat wijst erop dat blootstelling aan de vader een belangrijke rol speelt.”

De hamvraag is of we te maken met gedragsbeïnvloeding of met erfelijk bepaald gedrag. „Afgaande op mijn resultaten lijkt het meer te gaan om sociale invloeden, maar overdracht van geweld langs biologische weg kan niet worden uitgesloten. Het kan ook een interactie zijn tussen sociale invloeden en genetische belasting. Het zou kunnen dat kinderen van gewelddadige ouders een genetische aanleg hebben, maar dat die zich pas openbaart in bepaalde sociale omstandigheden, bijvoorbeeld als ze hun vader geweld zien gebruiken of zelf het slachtoffer zijn van diens geweld.”

Volgens Van de Weijer kunnen zijn resultaten dienen om gewelddadig gedrag bij kinderen tegen te gaan.

    • Dirk Vlasblom