Buitenlandse investeerders mogen het socialisme op de been gaan houden

Wordt het geïsoleerde Cuba de komende jaren de lieveling van buitenlandse investeerders? Als het aan president Raúl Castro ligt wel. Zaterdag werd er een wet aangenomen die buitenlandse investeringen moet opkrikken naar minstens twee miljard dollar (1,5 miljard euro) per jaar. Nu zijn dat jaarlijks nog luttele honderden miljoenen.

Voor het eerst sinds de revolutie van 1959 mogen buitenlandse bedrijven rechtstreeks investeren in Cuba. Het is niet langer nodig om een – vaak problematische – joint-venture aan te gaan met een staatsbedrijf. De winstbelasting is gehalveerd tot 15 procent en voor nieuwkomers zijn de eerste acht jaar zelfs geheel belastingvrij.

De wet moet een nieuwe impuls geven aan de economische hervormingen die Raúl Castro in 2008 begon, toen hij zijn oudere broer Fidel opvolgde. Hij vond dat het socialistische model een „update” nodig had en maakte het onder meer gemakkelijker voor Cubanen om eigen bedrijfjes te beginnen.

De Cubaanse economie groeide vorig jaar 2,7 procent, minder dan geraamd en teleurstellend laag voor een opkomende economie. Regeringsfunctionarissen hebben gezegd dat de economie 5 tot 7 procent per jaar moet groeien om het socialisme overeind te houden.

Voor Nederland liggen er kansen. Minister van Buitenlandse Zaken Frans Timmermans was eerder dit jaar in Havana in de hoop de betrekkingen met Cuba te verbeteren. Nederland is nu al een belangrijke handelspartner in de landbouw en een grote exporteur van Cubaans nikkel.

Maar zoals vaker het geval met ‘liberaliseringen’ in Cuba, gaat de openstelling met veel regels gepaard. Zo blijft de heffing op nikkel gehandhaafd op 50 procent.