Conny Janssen danst in ‘Source’ op het oerritme van de adem

Conny Janssen Danst Foto Rob Hogeslag

Zo langzamerhand lijkt het een trend: zet een troep dansers op het toneel, laat ze een uitputtende, minimalistische dans uitvoeren en laat het publiek het maar interpreteren. White Horse met Trip en Jan Martens onlangs nog met The Dog Days Are Over zijn maar twee voorbeelden.

In Dance van choreograaf en ex-Scapino Loïc Perela, gepresenteerd in het talentenprogramma Rotterdamse Lente, lijkt het alsof het hart van vijf dansers twintig minuten lang uit zijn behuizing probeert te ontsnappen, op een loop met strakke beats. Met kracht stoten zij hun borstkas naar voren, schouders naar achteren, onophoudelijk, tot de toeschouwer zijn eigen torso voelt kreunen.

Aanvankelijk dansen ze verspreid door de ruimte, soms zoeken ze elkaar op. Hun dans/levensenergie doet hen telkens weer uiteenspatten. Is het een Afrikaans tranceritueel, een dance rave, een portret van de moderne, individualistische mens? Het antwoord doet er niet echt toe. In elk geval is het ongemakkelijk en ontzagwekkend tegelijk te zien hoe dansers zich onderwerpen aan een dergelijk ‘straf’ idee van de choreograaf.

After Nearly Land(e)Scaping van Dario Tortorelli is bijna tegengesteld van karakter: vrijwel geheel in slowmotion suggereert Tortorelli een nachtmerrie vol angst en geweld, in een steeds veranderend zwart lavalandschap, waar personages in zwart en met donkere zonnebrillen verschijnen en verdwijnen. Een sterk verwrongen song geeft het geheel een nog onheilspellender sfeer. Maar daar blijft het bij; een sfeer, een idee.

Veel vriendelijker is Source van Conny Janssen. Zij neemt de bron van alle beweging, de adem, als vertrekpunt. In een donkere zaal is die in alle toonaarden te horen. Als het licht aangaat, glijdt de adem in steeds groter wordende, zachte, ronde en soepele bewegingsfrasen. Het is een aardig voorproefje van het avondvullende Mirror Mirror dat Janssen in juni in de Rotterdamse Onderzeebootloods uitbrengt.