Wij, burgers van Nederland, willen onze grondwet terug

‘Wij, de burgers van Nederland, zijn verantwoordelijk voor onze rijk geschakeerde samenleving, die gebaseerd is op de beginselen van vrijheid, gelijkheid, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en duurzaamheid. Ons land is een open, democratische en pluriforme rechtsstaat, en maakt deel uit van een sterk en bezield Europa.’ Zo zou de grondwet eigenlijk moeten beginnen – als het tenminste aan de lezers van deze krant ligt. In 2009 wees een deskundige jury deze inzending, van Wouter Beekman aan als de meest creatieve en dichterlijke aanhef bij de grondwet, die vandaag 200 jaar bestaat.

Met een aanhef waarin de kern van het Nederlanderschap werd getroffen zou de grondwet kunnen inspireren en zijn positie kunnen claimen, zo was het idee van toenmalig minister Ter Horst (Binnenlandse zaken, PvdA), die de grondwet flets en archaïsch vond. Terwijl de grondwet toch het funderend document voor de rechtsstaat is, een waardencatalogus waar de overheid zich naar moet richten. En een levende garantie voor vrijheid en respect voor de burger.

Als de grondwet écht in ons collectief bewustzijn zou zijn gevestigd veroorzaakte een politicus die in een zaaltje een discriminerende uitspraak over Marokkanen doet automatisch minder onrust, zou je denken. Want na die aanhef volgt immers vanzelfsprekend artikel 1: Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.

Aan grondwetpoëzie bleek politiek echter geen behoefte. In 2009 niet, en nu ook niet, in 2014, bij de viering van het 200-jarig bestaan van de grondwet. Het kabinet wil consistent een sobere tekst en vreest dat iedere poging om het Nederlander-zijn te definiëren, alleen tot controverse zal leiden. Daar zit ook wel wat in – dat Nederland deel uitmaakt van een ‘sterk en bezield Europa’ krijgt een belangrijk deel van het electoraat vijf jaar later, in 2014, al niet meer vrijwillig over de lippen. Dat zij zo.

De overheid maakt van het 200-jarig bestaan intussen flink werk. De stad Den Haag viert vandaag een grootscheeps grondwetfestival met attracties, toneel en her en der ‘open huizen’. Het is, hoe goed bedoeld ook, een geforceerd feest voor een anoniem document, waar het publiek geen enkele relatie mee heeft. En ook niet gauw zal krijgen. Het probleem dat Ter Horst signaleerde bestaat nog steeds – het heeft zelfs aan urgentie gewonnen. De staatkundige spanningen nemen toe. De burger lijkt zich af te wenden van overheid en bestuur. Gevestigde politieke partijen brokkelen af. Opkomstpercentages dalen. Er is onrust over voortgaande Europeanisering, over identiteit en natie, over allochtone Nederlanders. De rechtspraak krijgt meer kritiek. Kabinetten zitten korter, net als volksvertegenwoordigers. Staatkundig besef van de scheiding der machten in de politiek neemt af, getuige de vele incidenten. De verwarring over wat er ‘eigenlijk’ mag, moet en hoort neemt toe.

Een levende, actuele en toegankelijke grondwet die de zaak bij elkaar kan houden wordt node gemist. Eén waarin bijvoorbeeld wel een recht op inzage in overheidsdocumenten staat, een recht op bescherming van persoonsgegevens, een recht op een eerlijk proces, een recht op toegang tot de rechter, een duidelijke verwijzing naar de Europese rechtsorde, een gemoderniseerd recht op vrijheid van meningsuiting, een verkiesbare burgemeester en, vooruit maar, het gebruik van de Nederlandse taal.

Maar bovenal natuurlijk een grondwet met een recht voor de burger om bij de rechter de eventuele ongrondwettigheid van wetten te mogen aanvechten. Het zogeheten toetsingsverbod werkt nu als slotgracht rond het kasteel van de grondwet. De Staat kan nog zoveel gezellige festivals en open huizen organiseren, de grondwet zelf blijft hermetisch afgesloten, zolang alleen het parlement maar mag beoordelen of het zich bij nieuwe wetten aan de grondwet houdt. De burger mag nu alleen via Europese verdragen een direct beroep op zijn grondrechten doen – wij importeren dus onze grondwettelijke bescherming en kunnen pas in Straatsburg onze grondrechten opeisen. Zelfs de Europese Unie geeft de Nederlandse burger via het Handvest Grondrechten een betere bescherming tegen de (Europese) overheid. Dat zoiets niet kan binnen ons eigen rechtsdomein, is achterhaald. Geef ons onze grondwet terug!