Verdraag de onverdraagzamen

In Nederland is de deugd van de tolerantie de laatste paar decennia voorgesteld als ultieme norm, voor iedereen. Maar dat doet geen recht aan de onverdraagzamen en degenen met gewetens- en godsdienstbezwaren, meent Theo de Wit.

illustratie sieb posthuma

Wat is de overeenkomst tussen de demonstratie tegen de komst van zedendelinquent Benno L. in Leiden, de oproep van Geert Wilders tot minder Marokkanen in Den Haag en de demonstratie tegen racisme, afgelopen zaterdag in Amsterdam?

In alle gevallen werden groepen mensen op een morele basis gemobiliseerd tegen anderen, tegen ‘slechte mensen’. Bij de demonstratie in Leiden droegen vrouwen met kinderen posters met een foto van de zwemleraar. De bijeenkomst met Wilders’ aanhangers deed denken aan de speelfilm Borat, waarin hoofdrolspeler Sacha Baron Cohen zonder veel moeite Texaanse boeren ophitst tot steeds oorlogszuchtiger taal tegen joden. En tijdens de demonstratie tegen racisme vonden duizenden betogers elkaar in hun afkeer van de voorman van de PVV.

Bij dit derde argument zal menig lezer afhaken. Want was de anti-racisme demonstratie niet juist gericht tégen de uitsluiting van (groepen) mensen? En kan die daarom, in tegenstelling tot de eerste twee vormen van mobilisatie, niet gelden als een terechte en ‘goede’ manifestatie van verontwaardiging?

Dit argument doet denken aan de hoogtijdagen van het multiculturalisme. Begin jaren negentig werd ik uitgenodigd deel te nemen aan een conferentie over de multiculturele samenleving. Daarbij werd deze maatschappij omschreven als een samenleving waarin „uitsluiting niet mogelijk is”. Maar dit mooie ideaal heeft ook een keerzijde: het opent namelijk de jacht op de ‘uitsluiters’ - of wie daarvoor doorgaan. Dat verklaart de jammerklachten van Hans Janmaat over de agressie jegens hem destijds en die van Geert Wilders vandaag de dag, over de ‘hetze’ tegen de PVV.

Ook idealen als ‘tolerantie’ en een liberale ‘open samenleving’ bevatten deze merkwaardige paradox. Het enige dat onder geen beding ‘geopend’, dus ter discussie gesteld en prijsgegeven, kan worden, is de open samenleving zelf!

In ons land wordt de deugd van de tolerantie de laatste paar decennia voorgesteld als ultieme norm, voor iedereen. Daarom dreigt deze deugd om te slaan in intolerant gedrag jegens degenen wier tolerantie nog is ingebed in een moreel of religieus hoogste goed dat zij niet ter discussie willen stellen.

In naam van de tolerantie worden deze mensen neergezet als vreemde en intolerante traditionalisten, fanatici, fundamentalisten, homofoben etc. Journalist Jeroen Pauw heeft het regelmatig over moslims met ‘hun rare godsdienst’. Zo kan tolerantie ontaarden in wat de politieke denker Leo Strauss reeds lang geleden de ‘laatste tiran’ noemde: de homogeniserende tirannie van mensen voor wie een comfortabele tolerantie-zonder-aanraking het hoogste goed is.

Via aversie wordt in de genoemde voorbeelden ook een soort positieve morele gemeenschap gesticht. Daarin bestaan geen ‘pedofielen’ (en dan denken ze aan Benno L.), geen criminelen (dan denken sommigen aan Marokkanen) en geen racisten (dan denken anderen aan Wilders). Ook is er geen plek voor de zogenoemde onverdraagzamen, onder wie mensen met sterke of onwrikbare overtuigingen worden geschaard. Maar deze gemeenschappen zijn even sentimentele als gevaarlijke volkssprookjes over de verdwijning van de irritante ander - en hier is de moderne democratische rechtsstaat tegen opgericht.

Zo stelt de Franse mensenrechtenactiviste en politica Jeanne Hersch dat tolerantie niet moet worden verward met beleefdheid of met de gewenste urbane omgangsvormen. De oorsprong van moderne tolerantie is een racine sauvage, peu diplomatique, en het is dezelfde oorsprong als van de rechten van de mens: „Juist omdat het menselijk wezen in staat is zich op absolute wijze te engageren – zijn leven te riskeren, en soms nog meer – zijn er onschendbare rechten, en verdient een andere overtuiging dan de mijne een absoluut respect”.

Daarom zijn gewetens- en godsdienstvrijheid de antwoorden van de moderne staat die niet langer streeft naar (anti)godsdienstige of morele homogeniteit. Ook de moderne democratische rechtsstaat heeft dus wel degelijk een absolute basis in een vorm van uitsluiting: de collectieve waarheid moet een ‘lege plek’ blijven.

De reden waarom Geert Wilders zowel fascineert als angst oproept, is dat hij onderworpen is aan de dwang om dit taboe steeds radicaler ter discussie te stellen. Herinneren we ons de titel van het Limburgse radioprogramma waarmee Wilders zijn carrière als politieke zzp’er begon: ‘wild, wilder, Wilders’? En iedereen kent de overtreffende trap van de doelstelling ‘minder Marokkanen’. Juist, dat is: ‘geen Marokkanen’. Daarmee maakt Wilders één van de varianten van het al te menselijke volkssprookje over de verdwijning van de (irritante) ander expliciet.

Dat kan onze democratie ondermijnen, vooral omdat het als een slangenbezweerder andere varianten oproept. In onze democratie is een discussie namelijk geen asymmetrische botsing tussen een goede en een slechte (of intolerante) partij, zoals Wilders, zijn tegenstanders en degenen die te hoop lopen tegen Benno L. denken.

Hun denkwijze (wij strijden tegen onherstelbaar ‘slechte’ mensen) maken leefbare oplossingen onmogelijk. Ze bevordert inhumane vormen van vervolging van afwijkende meningen en gedrag.

In een moderne democratie is een discussie een legitieme confrontatie en onderhandeling tussen partijen met verschillende loyaliteiten. Die loyaliteiten overschrijden de tolerantie - daar zijn de partijen zich ook van bewust. Natuurlijk garandeert dit geen modus vivendi, maar dergelijke onderhandelingen maken het wel mogelijk om weg te kijken van onze diverse ‘fundamentele’ en ‘absolute’ waarden en verschilpunten – in de richting van praktische oplossingen. Zo kan Benno L. zonder angst in zijn seniorenflat wonen. En hoeft de samenleving deze man niet te vrezen omdat de kerken in Leiden hem begeleiden als hij naar buiten gaat.