‘Misschien zou je met iemand anders moeten praten,’ suggereer ik in een poging de rook van de Lucky Strike uit mijn gezicht te krijgen

Fictie // Elke week staat op deze plek een fictieverhaal. Deze week: een verhaal uit de nieuwe bundel Zeven vette jaren van het Israëlische fenomeen Etgar Keret.

I k heb echt de pest aan terreuraanslagen,’ zegt de magere verpleegster tegen de oudere. ‘Wil je een kauwgompje?’

De oudere neemt er een aan en knikt. ‘Wat doe je eraan?’ zegt ze. ‘Ik heb ook de pest aan spoedgevallen.’

‘Het gaat niet om de spoedgevallen,’ vindt de magere. ‘Ik heb geen probleem met ongelukken en zo. Het zijn de terreuraanslagen, zeg ik je. Die zetten een domper op alles.’

Ik zit op de bank buiten bij de kraamafdeling, en denk bij mezelf: ze heeft gelijk. Ik ben hier net een uur geleden aangekomen, helemaal opgewonden, met mijn vrouw en een taxichauffeur met smetvrees die, toen bij mijn vrouw de vliezen braken, bang was dat het zijn bekleding zou ruïneren. En nu zit ik me hier op de gang kut te voelen, in afwachting van het uit de Eerste Hulp terugkerende personeel. Iedereen is de mensen gaan helpen die gewond zijn geraakt bij de aanslag, alleen deze twee verpleegsters niet. En de weeën van mijn vrouw zijn weer geluwd. Waarschijnlijk voelt de baby ook dat dat hele geboren worden eventjes niet zo urgent meer is. Onderweg naar het cafetaria passeerden me een aantal gewonden op piepende brancards. In de taxi onderweg naar het ziekenhuis gilde mijn vrouw de hele boel bij elkaar, maar deze mensen houden zich allemaal stil.

‘Bent u Etgar Keret?’ vraagt een gozer met een geblokt overhemd. ‘De schrijver?’

Ik knik met tegenzin.

‘Nou ja, zeg!’ zegt hij, en hij haalt een kleine taperecorder uit z’n tas. ‘Waar was je toen het gebeurde?’ vraagt hij. Als ik een ogenblik aarzel, zegt hij met gespeelde empathie: ‘Neem je tijd. Voel je niet onder druk gezet. Je bent getraumatiseerd.’

‘Ik was niet bij de aanslag,’ leg ik uit. ‘Ik ben hier toevallig vandaag. Mijn vrouw is aan het bevallen.’

‘O,’ zegt hij, zonder moeite te doen zijn teleurstelling te verbergen, en hij drukt op de stopknop van zijn taperecorder. ‘Gefeliciteerd.’ Dan gaat hij naast me zitten en steekt een sigaret op.

‘Misschien zou je met iemand anders moeten praten,’ suggereer ik in een poging de rook van de Lucky Strike uit mijn gezicht te krijgen. ‘Zonet zag ik dat ze twee mensen naar de neurologie brachten.’

‘Russen,’ verzucht hij. ‘Kennen geen woord Hebreeuws. En daarbij, ze laten je sowieso niet binnen bij neurologie. Dit is mijn zevende aanslag in dit ziekenhuis, en ik ken hun regeltjes zo langzamerhand van buiten.’

We zitten een minuut lang te zwijgen. Hij is zo’n tien jaar jonger dan ik, maar hij is al kaal aan het worden. Wanneer hij merkt dat ik naar hem zit te kijken, glimlacht hij en zegt: ‘Jammer dat je er niet bij was. Een reactie van een schrijver zou goed zijn voor mijn stuk. Een bijzonder iemand, eindelijk iemand met een visie. Na elke aanslag krijg ik altijd dezelfde reacties: “Ineens hoorde ik een knal.” “Ik weet niet wat er gebeurde.” “Alles zat onder het bloed.” Dat heb je op een gegeven moment wel gehad.’

‘Daar kunnen zij niks aan doen,’ zeg ik. ‘Die aanslagen zijn nu eenmaal altijd hetzelfde. Wat voor origineels kun je zeggen over een explosie en zinloos sterven?’

‘Geen idee,’ zegt hij, en haalt z’n schouders op. ‘Jij bent de schrijver.’

Er komen wat mensen in witte jassen terug van de Eerste Hulp naar de kraamafdeling.

‘Jij komt uit Tel Aviv,’ zegt de verslaggever tegen me, ‘waarom kom je dan helemaal naar deze puinzooi om te bevallen?’

‘We wilden een natuurlijke bevalling. De afdeling hier—’

‘Natuurlijk?’ onderbreekt hij me grinnikend. ‘Wat is er natuurlijk aan een dwerg met een bungelend snoer aan z’n navel die uit de vagina van je vrouw komt glibberen?’

Ik doe geen moeite erop in te gaan.

‘Ik zei tegen mijn vrouw,’ vervolgt hij, ‘als je ooit moet bevallen, dan alleen met een keizersnede, net als in Amerika. Ik wil niet hebben dat een of andere baby je uit vorm trekt. Tegenwoordig bevallen vrouwen alleen in primitieve landen als het onze nog als beesten. Kom, ik ga weer aan het werk.’ Terwijl hij opstaat probeert hij het nog een keer. ‘Misschien heb je alsnog iets te zeggen over de aanslag?’ vraagt hij. ‘Heeft het iets voor je veranderd? Zoals welke naam je je baby gaat geven of zo?’

Ik glimlach verontschuldigend.

‘Laat maar,’ zegt hij met een knipoog. ‘Ik hoop dat het zonder problemen verloopt, man.’

Zes uur later komt er een dwerg met een bungelend snoer aan z’n navel uit de vagina van mijn vrouw glibberen en begint ogenblikkelijk te huilen. Ik probeer hem te kalmeren, hem ervan te overtuigen dat er niets is om zich zorgen over te maken. Dat tegen de tijd dat hij groot is alles hier in het Midden-Oosten is opgelost: er zal vrede heersen, er zullen geen terreuraanslagen meer gepleegd worden en zelfs als er nog een enkele keer een zal plaatsvinden, dan zal er altijd een bijzonder iemand in de buurt zijn, eindelijk iemand met een visie, om het perfect te beschrijven. Hij kalmeert een ogenblik en overweegt zijn volgende stap. Hij wordt verondersteld naïef te zijn — hij is tenslotte een pasgeborene — maar hij trapt er mooi niet in, en na een korte aarzeling en een klein hikje begint hij weer te huilen.