Jongens, doe dat nou niet

Joyce Roodnat

Over Vaslav, Tom Lanoye, Suzanne, Borremans, Jeff Wall, EYE: Cinema Remake.

Bij het toneelstuk Vaslav probeer ik weg te duiken in het pluche (lukt slecht; pluche is weerbarstig). Doe nou niet, Arthur Japin, denk ik. En: dit kan toch anders, Gijs de Lange? Japin en De Lange zijn schrijver en regisseur van dit stuk over de legendarische danser Vaslav Nijinski in zijn nadagen. Maarten Heijmans speelt hem mooi. Nog mooier is Jeroen Krabbé als zijn minnaar en mentor Sergej Diaghilev, een man die om zich heen klauwt in de strijd tegen ouderdom en verloren idealen. En de actrices? Noortje Herlaar? Beppie Melissen? Die krijgen de kans niet. Melissen doet werkelijk niet onder voor Krabbé, maar zij is veroordeeld tot een set schoonmoederclichés. Ook de andere vrouwen reduceert dit stuk tot karikaturen. Jammer, dat bederft het voor mij.

Doe nou niet Tom Lanoye, denk ik. Ik moet aanzien hoe hij, in zijn Shakespearebewerking Hamlet vs Hamlet, Laërtes de nek van zijn zus Ophelia laat breken. Arme Ophelia. Ze wordt waanzinnig van verdriet. Of doet ze alleen maar of ze gek is, uit strategische overwegingen, net als Hamlet? Zou best kunnen. Hoe dan ook: to be or not to be, dat is de vraag, ook voor haar. En? Wat wordt het? Not to be. Plons. Althans, in het oorspronkelijke stuk. Ophelia verdrinkt zich en dat is de enige keer in de hele Hamlet dat ze niet met zich laat sollen. Het is haar statement. En dat pakt Lanoye van haar af. En van Shakespeare. En van mij.

De film Suzanne wordt ineens overspoeld met Leonard Cohens evergreen ‘Suzanne’ en ik denk: o nee, dat niet. Hoe komen ze erbij? De ene Suzanne is de andere niet. De Suzanne in de film is een doorsnee Frans meisje dat onverklaard valt voor een crimineel. Haar gewoonheid is de kern. Die ontroert me en toch laat ik geen traan. Maar de sentimentele song over die andere Suzanne, de sfinx die je „tea and oranges” voert „that come all the way from China”, ondergraaft die alledaagsheid. Weg film.

Laat nou, Michaël Borremans. Dat denk ik in Brussel, in museum Bozar. Een fantastische schilder is hij, maar hij zoekt routineus de pose van de gewilde naargeestigheid als hij zonodig een vrouw aan haar haar moet ophangen. Terwijl hij een meester in pijnlijkheid is. Kijk maar naar dat portret van de man in het verkeerd om aangetrokken colbert. Het is een geluidloze gil. Dank u, Borremans. Het maakt alles goed.

Doe nou niet, denk ik op de overzichtstentoonstelling van Jeff Walls grote foto’s in het Amsterdamse Stedelijk Museum. Die lijken levensecht, geschoten, nee, veroverd, op een beslissend moment. Nú! Klík! Maar kijk nog eens en je ziet dat dit de werkelijkheid niet kan zijn. Wall zette al die foto’s nauwkeurig in scène. Hij creëert momenten, hij speelt voor God. Zoals zijn foto van de jongen die uit een boom valt. Hij zweeft net onder de tak waar hij vanaf gleed – zo realistisch is het dat het volgende ogenblik (bloed, gebroken botten, verdriet) al door je ziel snijdt, terwijl je het niet eens ziet. Maar Walls foto Monologue stelt me teleur. Drie intimiderende mannen in het zwart. Net echt, ja. Maar ook een quasi still uit een maffiafilm. Hoezo deze platitude? Zonde, Jeff Wall, doe niet.

Ik zit fout. Ik lette niet op. Ik zag voorbij aan het drinkglas op deze foto. Het balanceert op de zware dij van die ene zittende man. Niks maffiafilm. Dit wankele glas, dit glas dat nóóit valt, definieert deze foto.

Ik loop terug. Bekijk de foto’s opnieuw. Steeds vind ik zo’n Wall-detail, uitgangspunt voor zijn spookwerkelijkheid. Zijn namaak is niet van echt te onderscheiden.

Het omgekeerde, echt dat niet van namaak is te onderscheiden, bestaat ook. En het is minstens zo hallucinant, ik zie het in de video-installatie Stardust van Nicolas Provost, op de expositie Cinema Remake in filmmuseum EYE. Hij filmde in nachtelijk Las Vegas en onderwierp die ‘echte’ beelden aan de wetmatigheden van de filmkunst. Filmsterren Jack Nicholson en Jon Voight hangen rond in de casino’s, dat is mazzel voor Provost, zij vervolmaken Stardust. Wat ze ook doen, het lijkt altijd op acteren, maar het is toch echt in de werkelijkheid gejut. Camerabewegingen, muziek, montage zijn machtig. Ik hoor een schot en zie ogenblikkelijk een moordenaar in een onschuldige ober.

Het zijn twee kanten van dezelfde medaille. Jeff Wall schept een eigen schaduw van de werkelijkheid. Provost bombardeert de realiteit met speelfilmconventies. Maar linksom of rechtsom: als je goed kijkt, zie je dat de wereld geregisseerd wordt. Altijd. Daarom is hij zo spannend.