Hoeveel toezicht kan een toezichthouder houden?

Bestuurders moeten minder toezichtfuncties hebben, dat was de gedachte achter de wet-Irrgang. Dan kunnen ze er meer tijd aan besteden en tegelijkertijd kan het old boys network worden opengebroken. Maar de wet heeft ongewenste effecten en kent vele uitzonderingen. De kritiek groeit.

Vanaf het begin zag hij er weinig in. De wet die sinds vorig jaar het aantal toezichtfuncties per persoon aan banden moet leggen, vindt oud-Rabobankbestuurder Wim van den Goorbergh „pretentieus”, maar eigenlijk ook „principieel verkeerd”.

Nog voordat de verslaggever bij hem thuiskomt voor een gesprek, stuurt Van den Goorbergh, die toezichthouder en bestuurder is bij een tiental instellingen en bedrijven, enkele krantenartikelen van zijn hand. Onder de kop ‘Is vijf het nieuwe, heilige getal?’ hekelde hij al in 2010 het voornemen om aan die bijbanen een maximum van vijf te stellen, en waarschuwde voor de gevolgen van de kwaliteit van het publiek toezicht. Sinds 1 januari 2013 is het voornemen wet geworden. Van den Goorbergh moet een drietal goedbetaalde commissariaten inleveren; zo’n 80.000 euro aan gezamenlijke honoreringen op jaarbasis.

Om dat geld gaat het Van den Goorbergh echter niet, zegt hij. Hem verbaast vooral de pretentie van de overheid die denkt te weten hoeveel tijd een toezichthouder minimaal nodig heeft voor een baan. „Als beroepscommissaris die geen zware hoofdfunctie meer heeft, kan ik veel meer tijd vrijmaken dan iemand die het toezicht erbij moet doen”, zegt hij. „Toen er bijvoorbeeld een aantal jaren geleden bij het Radboud UMC een crisis was, kon ik daar als toezichthouder zonder problemen extra tijd voor inplannen. Er zijn nu eenmaal grote onderlinge verschillen. Zowel tussen de toezichthouders zelf als tussen commissariaten, bijvoorbeeld bij een multinational als Shell of een middelgroot roc. Voor de wet tellen ze echter allemaal even zwaar mee.”

Lange tijd werd kritiek als van de oud-Rabobestuurder beschouwd als het chagrijn van goedbetaalde commissarissen die flink moeten inleveren. „Kritiek van een invloedrijke groep mensen die zeer goed in staat is om zichzelf te laten horen”, zoals Ewout Irrgang het noemt. Het oud-Kamerlid van de Socialistische Partij nam destijds het initiatief tot het gewraakte wetsvoorstel. Inmiddels kan de kritiek echter op aanmerkelijk bredere steun rekenen. Juist onder mensen die destijds positief stonden tegenover de beperking van het aantal nevenfuncties van goed betaalde commissarissen, groeit nu de twijfel.

„De wetgeving van Irrgang was destijds hard nodig om de machtsconcentratie van het old boys network tegen te gaan, met oud-politici als Loek Hermans en Elco Brinkman”, zegt Goos Minderman, hoogleraar public governance aan de Vrije Universiteit: „Die beschikten over tientallen toezicht- en andere nevenfuncties.” Bovendien was er het argument van kwaliteit. „Het is weliswaar nooit wetenschappelijk aangetoond dat die stapeling van functies de kwaliteit van het toezicht negatief beïnvloedde, maar voor de hand ligt het wel”, aldus Minderman. „Er waren lange tijd te veel toezichthouders die nooit verder kwamen dan de bestuurskamer, zich niet in het netwerk van de organisatie verdiepten, of erger nog: bij het begin van de vergadering een nog ongeopende envelop met vergaderstukken op tafel legden.”

Vele uitzonderingen

Hoewel de nieuwe wet drukbezette toezichthouders als Hermans en Brinkman dwong veel nevenfuncties te schrappen, was het effect minder groot dan Minderman had gedacht. Hij was onaangenaam getroffen door het grote aantal uitzonderingen op de wet dat een inventarisatie van deze krant liet zien. „Daardoor kunnen toch weer allerlei stapelingen van functies ontstaan, met negatieve gevolgen voor de tijd die men aan toezicht kan besteden.” De hoogleraar gaat qua benodigde tijdsbesteding uit van grofweg gemiddeld twee dagen per maand per toezichtfunctie (tussen de 100 en 150 uur per jaar). „Door de vele uitzonderingen komen twee doelstellingen van de wet in het gedrang: het vrijmaken van meer tijd voor toezicht en het verder openbreken van de old boys networks”, aldus Minderman.

De talloze uitzonderingen houden bepaalde concentraties van goedbetaalde toezichthouders in sommige sectoren in stand, blijkt uit een inventarisatie van deze krant. Niet alleen goedbetaalde commissariaten bij coöperatieve bedrijven als de Rabobank of zorgverzekeraars als DSW vallen erbuiten. Dat geldt ook voor lucratieve bestuursfuncties bij stichtingen van zogeheten administratiekantoren die voor bedrijven of instellingen aandelen beheren. „Gezien de grote financiële belangen die hiermee gemoeid zijn, is dat een uitzondering die tegen de geest van de wet ingaat”, zegt Minderman.

Bij telecomaanbieder KPN verhinderde zo’n stichting vorig jaar de overname van het bedrijf door de Mexicaan Carlos Slim. Het bestuur van de stichtingen wordt veelal door een relatief kleine kring van oud-CEO’s en andere specialisten uitgevoerd. Zo heeft de eerdergenoemde Van den Goorbergh er drie: bij de ANWB, SBT VION (voedselindustrie) en bij het bouwbedrijf Heijmans, tezamen goed voor 25.000 euro.

Ook culturele instellingen vallen buiten de wet, omdat daar meestal geen vergoedingen worden gegeven. De vrees was destijds dat als die ook Irrgang-punten zouden kosten, er geen serieuze toezichthouder meer te vinden zou zijn. In de praktijk moet de cultuur daarom sterk leunen op een relatief beperkte groep uit het bedrijfsleven als toezichthouder die elders zijn inkomsten haalt en veel maatschappelijke betrokkenheid toont. Het gaat om actieve bestuurders en bemiddelaars als oud-INGbestuurder Alexander Rinnooy Kan of advocaat Marry de Gaay Fortmann.

Twijfels over de huidige wet worden ook aangewakkerd door andere ontwikkelingen. Zijn er wel genoeg goede toezichthouders om de naar schatting drieduizend vacatures in publiek toezicht die er jaarlijks zijn, te vullen? „Ik moet, mede door de wetgeving, vaker naar een derde of vierde keus op mijn lijstje kijken”, zegt bestuursadviseur Paul Nobelen, die ook actief is in de rekrutering van het topsegment van toezichthouders (categorie Rinnooy Kan). „Natuurlijk zijn ook dat nog steeds goede kandidaten, maar de trend is onmiskenbaar: het wordt door de beperkingen veel lastiger om kandidaten te vinden die van alle recente regelgeving op de hoogte zijn, strategisch kunnen denken en weten hoe het is om zelf te besturen.”

Vooral het vinden van goede voorzitters biedt recruiters veel kopzorgen. Rixt Meines, adviseur van het Nationaal Register voor toezichthouders, zegt dat ze „gemiddeld zes weken langer”, bezig is om een goede voorzitter te vinden. „Omdat deze functie in de wetgeving twee punten scoort, zijn kandidaten extra voorzichtig geworden.” Ook moet Meines, net als Nobelen, vaker onervaren kandidaten voor gewone lidmaatschappen voordragen. „Dat kan best”, zegt Meines, „mits die in een omgeving van een raad met veel ervaring functioneren”.

Door de gegroeide behoefte en langere zoektijd neemt het aantal vacatures bij raden van toezicht toe. Advertentieafdelingen van kranten profiteren ervan. De Vereniging van Toezichthouders in Onderwijsinstellingen (VTOI), een van de grootste in zijn soort, rapporteert dat de introductie van een nieuw bestuursmodel in het basis- en voortgezet onderwijs om meer toezichthouders vraagt.

Gelet op deze grotere behoefte aan toezichthouders, denkt hoogleraar Goos Minderman dat de wettelijke beperking tot vijf punten te rigide is, en nadelig uitpakt voor bepaalde groepen toezichthouders die meer maatschappelijke verantwoordelijkheid willen nemen. „Met name de beroepscommissaris die van toezicht houden zijn werk maakt, wordt nu wel erg aan banden gelegd”, zegt hij. „Dit type toezichthouder heeft vaak veel ervaring, schoolt zich regelmatig bij, en schrikt niet van de nieuwe aansprakelijkheidsregels. Zijn talent en ervaring zijn nu te weinig inzetbaar. Juist deze types vervullen een belangrijke maatschappelijke functie.” Als beroepscommissarissen meer dan vijf toezichtfuncties mogen gaan vervullen, zouden er wel duidelijke eisen aan deze groep gesteld moeten worden, zegt Minderman. Hij denkt daarbij aan permanente educatie, intervisie en verslaglegging van de eigen activiteiten.

„Het kan niet anders, of de wet wordt binnen afzienbare tijd aangepast, gezien alle tekortkomingen”, concludeert bestuursadviseur Paul Nobelen. Ook Else Bos, bestuursvoorzitter van pensioenfonds PGGM en toezichthouder bij onder meer de Isala Klinieken en het Nationaal Ballet, zou dat een goed idee vinden. Enerzijds vond Bos het uitstekend dat „een rem is gezet op het aantal toezichthoudende functies”. Anderzijds noemt ze „het puntensysteem nogal rigide.” Bos kan zich voorstellen dat er „meer punten worden toegestaan, zeker aan beroepstoezichthouders.” Het ministerie van Economische Zaken van Henk Kamp laat inmiddels een onderzoek uitvoeren naar de effecten van de wet-Irrgang. De inventarisatie moet nog voor de zomer klaar zijn. Mogelijk bieden de uitkomsten materiaal voor aanpassing van de wet.

    • Kees Versteegh