Godzijdank: Hij is nooit weggeweest

Sinds Nietzsche in 1883 verkondigde dat God dood is, is de mens op zoek naar nieuwe manieren om betekenis aan zijn leven te geven. Toch krijgt de leemte die God achterlaat, steeds weer religieuze trekken.

Nee, God is niet terug, zoals je het afgelopen decennium overal kon horen. Voor veel mensen bleek Hij verrassend genoeg nooit weg geweest. In andere kringen, de kringen waarin essays en boeken worden geschreven, wordt Hij vooral heel erg gemist. Of liever, we kunnen best zonder God, maar niet zonder geloof.

De laatste tijd verschijnen er dan ook tal van essays en boeken waarin de vraag wordt gesteld of we het kind niet met het badwater hebben weggegooid. Is er religie mogelijk zonder geloof? Kun je geloven zonder God? Van hoog tot laag, van Habermas (Geloven en weten), Ronald Dworkin (Religion without God) tot Alain de Botton (Religion for Atheists), knaagt het besef dat voor veel mensen de wereld aan dieptebetekenis heeft verloren sinds Nietzsche in 1883 verkondigde dat God dood is en het bovendien de mens zelf is die Hem heeft vermoord.

Die leegte wordt overigens niet gevoeld door enerzijds aanhangers van de God-bestrijders Richard Dawkins, Christopher Hitchens en Sam Harris en religieuze fundamentalisten anderzijds, de twee partijen die elkaar de afgelopen jaren hebben bestookt met de fijnzinnigheid van een slopershamer.

Waarnemers vanaf de zijlijn zagen bij beide partijen vooral een wonderlijke blindheid: bij de agressieve Darwinisten een vreemde ongevoeligheid voor de menselijke behoefte om het bestaan door middel van (religieuze) verbeelding diepte te geven; bij de fundamentalisten een moedwillige reductie van mens en kosmos tot een handvol onbuigzame geloofsartikelen. Die strijd is wat de betrokkenen betreft nog lang niet gestreden, maar de belangstelling ervoor neemt zienderogen af.

Inmiddels is er ruimte voor interessantere denkers. De nieuwe boeken van de Britse ideeënhistoricus Peter Watson en de Ierse denker Terry Eagleton, die tegelijkertijd verschenen, nemen beide de aanzegging van Nietzsche als beslissend moment – daarvóór waren er ook ongelovigen, daarvóór werd er ook gespeculeerd over een mechanisch universum zonder hogere macht, maar pas met Nietzsche drong het besef diep door in de westerse cultuur.

Voor Watson is het ‘gemis’ dat door atheïstische filosofen als Habermas wordt geproblematiseerd aanleiding om in The Age of Nothing de geschiedenis te schrijven van hoe ‘wij’, dat wil zeggen, filosofen, schrijvers, schilders en zoekers, hebben geprobeerd betekenis te geven aan het bestaan zonder geloof in een hogere, bestierende macht.

Hoewel Watson een scherp oog heeft voor de gruwelijke ontsporingen, de pseudoreligies en de mythomane waan waartoe de mens zonder God geneigd is te vervallen, is zijn boek toch bedoeld als een lofzang. Met de angst van Dostojevski, die stelde dat zonder God de mens alles is toegestaan, heeft hij weinig op. Met de dood van God is de vorm wellicht uit het bestaan verdwenen, maar Watson ziet dat niet als enkel tragisch; juist die gewaarwording heeft denkers en kunstenaars het leven laten onderzoeken op manieren die daarvoor niet voor mogelijk werden gehouden.

Virginia Woolf, Robert Musil, Kafka en James Joyce, om enkele auteurs te noemen van de tientallen over wie Watson schrijft, kwamen uit op een levenshouding die zijn echo vond in het werk van de 20ste-eeuwse denkers vanaf de Amerikaanse Pragmatisten tot aan Husserl en Heidegger: het menselijk bewustzijn geeft het bestaan diepte, betekenis openbaart zich enkel in het moment en het detail, de abstractie (en de ratio) is de vijand van de ervaring.

Het leven is één lange improvisatie, omdat de mens dat zelf ook is (het ‘ik’ is een illusie). Mensen kunnen zich alleen onderling verbonden voelen door ‘shared fictions’, een gedeeld geloof in symbolen, mythes en verhalen die nooit de algemene geldigheid van de godsdienst zullen verkrijgen. Watson beseft dat deze antwoorden de leegte van een stevig geloofssysteem nooit blijvend kunnen vullen, maar voor hem ligt de waarde juist in het onophoudelijk zoeken, de caleidoscopische verscheidenheid van het denken over de plaats van de mens in de wereld sinds Nietzsche.

Dat maakt The Age of Nothing (dat, zoals hij zelf zegt, misschien beter The Age of Everything had kunnen heten) een duizelingwekkend boek – soms iets te, aangezien hij de denktrant en opvattingen van de honderden zoekers zonder God die hij beschrijft vaak alleen maar kan aanstippen. Wanneer hij even stil blijft staan, zoals in zijn hoofdstuk over de fenomenologie van Husserl, wint zijn boek aan diepte.

Watson beschrijft vooral de ideeën van anderen, en vaak doet hij dat door te citeren wat anderen weer over hen hebben geschreven (bijvoorbeeld Sartre over Mallarmé), maar de inzet van zijn boek is serieus en zijn samenvattingen zijn intelligent – een verademing vergeleken bij de vaak infantiele speelsheid van De Botton, die hij in een voetnoot een veeg uit de pan geeft.

Hoon

Terry Eagleton is zelf een denker, en een onverbeterlijk sardonisch denker bovendien. Zijn Culture and the Death of God is polemisch van aard. De mens dacht vanaf de Verlichting het zonder God af te kunnen, maar dat bleek een illusie: ‘Atheism is by no means as easy as it looks.’ Alles wat de leemte die het verdwijnen van God achterliet, kreeg steeds weer religieuze trekken. Het geloof in de Rede als vervangend geloof bleek al tijdens de Verlichting te abstract en afstandelijk en Eagleton ziet alle filosofische richtingen die volgden – Duits Idealisme, de Romantiek, nationalisme en cultuur als lotsbestemming – als even zovele pogingen om religie te vervangen door iets waarin de mens weer zou kunnen geloven. Altijd sijpelde daarin weer in door wat Eagleton spilt religion noemt, gemorste godsdienst: zelfverklaarde atheïsten, zoals Marx en zelfs Nietzsche kwamen nooit helemaal van God los. De Verlichting trachtte moraal een rationeel fundament te geven, maar bleef in haar uitgangspunten bij uitstek christelijk, de pleitbezorgers van Geist en cultuur, van nationalisme en dichtkunst vervielen onwillekeurig steeds opnieuw in een geloof in transcendentie.

Bovendien, dat is het andere polemische punt dat Eagleton maakt, haalden ze het niet bij the real thing – de religieuze smaakvervangers die de denkers vanaf de Verlichting aandroegen, waren meestal gewoon te ingewikkeld of te precieus om een groot publiek te bereiken – theorie werd zelden praktijk. Bovendien faalden ze in hun belangrijkste doel, het scheppen van nieuwe gemeenschappen; men bediende vooral het bewustzijn van het individu. Godsdienst is ook nu nog, plaagt Eagleton, de hardnekkigste en meest universele vorm van populaire cultuur, ‘ook al zou je dat niet vermoeden wanneer je een paar programma’s van culturele studies van de universiteiten doorbladert.’

Pas met het postmodernisme, stelt Eagleton, zijn de consequenties van Nietzsches boodschap tot het uiterste doorgevoerd. Er hoeft geen betekenis en diepte gezocht te worden, want betekenis en diepte bestaan niet; wanneer er niet langer een gevoel van gemis of verlies is, hoef je ook niet verder te zoeken; de wereld van Paris Hilton is ook onze wereld. ‘Het gaat er niet om dat de waarheid, identiteit en het fundament tergend ongrijpbaar blijken, maar dat ze nooit bestaan hebben. […] Er is geen sprake van fantoompijn.’

Hoewel je gezien al zijn spot jegens de onbedoelde religiositeit van de filosofische stromingen vanaf de Verlichting zou denken dat Eagleton het postmodernisme dan tenminste consequent zou vinden, klinkt in zijn beschrijving van die geestesgesteldheid (die je als een van de oorzaken van het nieuwe religieuze fundamentalisme kunt zien) enkel hoon door. Hij heeft ook niets dan hoon voor de christen-humanisten die van Jezus een welzijnswerker proberen te maken, van het geloof een zuiver goedaardige, sociale praktijk (ook hij sneert naar De Botton).

Het christendom vangt aan met een gekruisigd lichaam, schrijft Eagleton meerdere malen. Voor hem is het een radicaal geloof, dat niets minder dan het slopen van onze ‘vormen van bestaan’ nastreeft; dan pas kunnen ze worden herboren als rechtvaardige gemeenschappen. Dat is een geloof dat Eagleton zelf, lijkt het, niet wil loslaten. Maar zijn uitdagende boek laat zien hoe onwerkelijk die wensgedachte is.