Gatverdamme, vieze dingen

Walging is een basisemotie: komt er iets verkeerds het lichaam in of uit, dan walgen we daarvan.

Een bord waarvan je eerder nog lekker hebt gegeten, maar nu is de ketchup klonterig opgedroogd. De snotklodder onder de neus van een vierjarige, op de foto die haar moeder stuurde. De gelige eeltvoeten van een vreemde in de sauna. Een lichamelijke, emotionele reactie wekken ze op.

En ja, u moet dit hele artikel nog door, maar precies diezelfde reactie wordt opgeroepen door de akelige foto’s die de wetenschapsredactie soms bereiken: van mismakingen en operaties, tumoren met tandgroei, penissen zonder huid. Of, laatst, foto’s van slurfwormen, Echiura: een soort naakte, los in zee levende piemels. In Korea eten mensen ze rauw, meldt Wikipedia, met zout en sesamolie. Op zulke momenten leggen sommige redacteuren hier hun lunch liever weg.

Al die voorbeelden, hoe verschillend ook, wekken dezelfde emotie op. Walging. Een emotie die zelfs door bepaalde morele en politieke overtuigingen kan worden opgeroepen, en die zich de laatste tijd in groeiende aandacht van psychologen mag verheugen. Hoe kan het dat één emotie ons voor zoveel verschillende dingen waarschuwt, als dat het al is wat walging doet? Hoe is het ontstaan, waartoe dient het?

Walging is een van de basisemoties, in 1872 reeds door Darwin erkend. Met een eigen gezichtsuitdrukking, die de neusgaten dichtdrukt tegen eventuele stank en de mond zo opent dat de inhoud eruit kan druipen. Wie de expressie navoelt, merkt dat ook de keel wordt dichtgeknepen. Voedsel komt er dan niet meer in.

Een basisemotie dus, maar wel een door de wetenschap lang genegeerde basisemotie. De grote psycholoog en filosoof William James negeerde walging al vrijwel geheel in 1890, in zijn nog steeds vaak geciteerde The Principles of Psychology. Pas een eeuw later kwam het onderzoek naar walging voorzichtig op gang. Wie nu Paul Rozin (1936) van de universiteit van Pennsylvania bevraagt, de godfather van het walgingsonderzoek, krijgt opvallend vaak te horen: interessant, maar dat weten we nog niet precies.

Walging? Walgelijk

Een paar jaar geleden schreef Rozin hoe het volgens hem komt dat walging zo lang is verwaarloosd (in het boek Disgust and its disorders, 2009). Om te beginnen had Darwin maar liefst 32 emoties geïdentificeerd, dus het lag voor de hand dat de wetenschap zich niet meteen op allemáál kon richten. En angst en woede, bijvoorbeeld, zijn zichtbaarder en directer problematisch, gezien hun rol in psychopathologie en geweld. Verder heeft walging vaak met eten te maken, sowieso een verwaarloosd onderwerp in de psychologie. Rozin constateert dat teleurgesteld; zelf onderzocht hij onder meer hoe mensen hunkeren naar chocolade en wennen aan chilipeper. En, zegt Rozin: walging is natuurlijk... walgelijk. Ook dat maakte volgens hem dat veel onderzoekers er niet zo’n zin in hadden.

Tegelijkertijd kunnen mensen wat walgelijk is ook grappig vinden, mits ze er van een flinke psychologische afstand naar kunnen kijken. Smaken verschillen daarbij, want sommige mensen walgen veel eerder dan andere. In onderzoek vonden Amerikaanse studenten het weliswaar smerig om te lezen over een man die seks had met een dode kip voordat hij die braadde en opat, maar als ze zich niet te dichtbij voelden, moesten veel van hen er óók om lachen (Psychological Science, 2010). Ze vonden het walgelijk, maar onschuldig; de kip was toch al dood. Volgens één theorie is dat de kern van humor: er is iets engs of ergs (in dit geval iets walgelijks), maar het blijkt toch niet zó eng of erg. Vals alarm. Grijns.

Dat roept de vraag op welk potentieel gevaar bij walging dan toch ineens onschuldig blijkt. Zo’n gevaar lijkt er te zijn. Vieze dingen trekken sterk de aandacht. Mensen onthouden ‘vieze plaatjes’ (foto’s van poep en kots) beter dan angstwekkende beelden (rellen en rampen, Journal of Experimental Psychology: General, 2013). En hoe walgelijker een broodje-aapverhaal, hoe meer het wordt doorverteld (Journal of Personality and Social Psychology, 2001). Dus waarvoor waarschuwt walging ons?

Oorspronkelijk was het idee dat we vooral walgen van verkeerde, ziekmakende dingen die we dreigen te eten: Paul Rozins eerste overzichtsartikel over walging, uit 1987, ging voornamelijk over walgen van voedsel (Psychological Review). Ook walgen we sterk van vrijwel alle producten die het lichaam uitscheidt: poep, pies, kots, pus, oorsmeer, snot, sperma, bloed (behalve tranen eigenlijk, Rozin weet niet waarom die de uitzondering vormen). We walgen ook als iets verkeerds op een andere plek dan de mond het lichaam dreigt binnen te dringen – (besmettings)gevaar. En als we griezelige operatiefoto’s zien.

Zo’n foto kan iemand natuurlijk niet besmetten. Maar volgens Rozin is walging bij uitstek omgeven met magisch denken. Zo eten mensen ook liever geen soep uit een fonkelnieuwe, brandschone po (Journal of Personality and Social Psychology, 1986). En bij vieze foto’s geldt volgens Rozin de magisch-denkenregel ‘het beeld is gelijk aan het object’. „Dat wás ook altijd zo”, zegt hij, „het beeld wás het object. Totdat wij een wereld vol beelden creëerden.” Beelden die emoties oproepen. Mensen eten liever geen chocolademousse die tot een hondendrol geboetseerd is, zoals Rozin aantoonde. Er zijn trouwens ook onderzoekers die zoiets geen magisch denken vinden, maar best rationeel: het zekere voor het onzekere nemen.

Maar goed, komt er dus iets verkeerds het lichaam in, of komt er op een ongepast moment iets uit, dan walgen we daarvan, en algemeen wordt aangenomen dat die emotie is ontstaan om ziekteverwekkers te mijden. Al speculeert Rozin ook graag dat walging ons tegen doodsangst beschermt. Voedsel, seks, bloed, ziekte en dood herinneren ons aan het feit dat we dierlijk zijn en dus aan onze sterfelijkheid, is het idee. Wie die ‘vieze dingen’ mijdt hoeft daar niet aan te denken. Het is een theorie die moeilijk te bewijzen of ontkrachten is.

Spelen met poep

Wel is walging, net als doodsbesef, zeer waarschijnlijk uniek voor de mens. Net als dieren hebben jonge kinderen geen doodsbesef, noch kennen ze echte walging; ze spelen rustig met poep. Walgen is iets wat kinderen moeten leren en het is nog onbekend hoe dat precies gebeurt. Deels waarschijnlijk via cultureel bepaalde regels voor wat hygiënisch is en wat niet; walging is niet (louter) biologisch bepaald.

We walgen ook niet louter van lichamelijkheden. Mensen kunnen ook walgen van politieke standpunten die ze zien als morele overtredingen. Van Geert Wilders werd vorige week veel gewalgd. Metaforisch, denk je dan. Maar onderzoekers nemen wel degelijk aan dat de walging die conservatieve mensen voelen voor het homohuwelijk of abortus de basisemotie is. Mogelijk walgen politiek conservatieven sneller dan meer vrijdenkenden, maar er zijn ook aanwijzingen dat conservatieven er niet goed mee kunnen omgaan als ze walging voelen, dat dat hun denken min of meer stopt (Emotion, 7 oktober 2013).

Er hoeven niet per se lichaamssappen te vloeien bij ‘walgelijke’ morele overtredingen: mensen die snel iets fysiek vies vinden, blijken ook extremere morele oordelen te hebben over mensen die slaan, stelen of andere regels overtreden (Emotion, 10 februari online). Het zou kunnen dat die morele vorm van walging evolutionair gezien ‘meelift’ op de lichamelijke variant – Rozin vatte dat ooit samen als from oral to moral (Science, 2009). „Maar hoe die culturele uitbreiding is verlopen, is niet in kaart gebracht”, zegt hij.

Bij de verschillende domeinen waarin walging optreedt, dreigen wel altijd grenzen te worden overschreden. Lichamelijke grenzen, die beschermen tegen ziekteverwekkers of ongewenst seksueel contact. Of morele grenzen en grenzen tussen groepen, die beschermen tegen vreemde ziektes en potentieel gevaarlijke gewoontes.

Het doet denken aan een oud idee, van de Hongaarse psychiater Andras Angyal, uit 1941. Die opperde dat walging samenhangt met een gevoel van bedreiging door iets mysterieus, griezeligs dat op parasitaire wijze ónze wereld kan veroveren (The Journal of Abnormal and Social Psychology). Een of ander vies slijm, enge insecten of andere dieren, of mensen die bijna onmenselijk lijken omdat ze ver van ons afstaan. Het is een bijna poëtische gedachte, waar moderne onderzoekers niet zoveel meer in zien. Die zien het als functioneel dat walging ons zulke zaken laat mijden.

Rozin is trouwens specifiek geïnteresseerd in walging voor insecten, laat hij nog weten. „Maar dat is vooral omdat ik het eten ervan probeer te promoten.”

    • Ellen de Bruin