Eindelijk, eindelijk kan ik mijn geheim delen

In de rubriek ‘Het nabestaan’ praten mensen over verlies, rouw en hoe het leven verder gaat. Daaronder staat een necrologie van een niet per se bekende persoon.

(Boven) „Hier is Jacqueline verdronken. Een vriendin heeft er sneeuwklokjes geplant.” (Links) „Foto van Jacqueline, die sinds enkele weken in mijn werkkamer hangt.” (Rechts) „Op de brug over het water sta ik ook altijd even stil, in gedachten verzonken.”

Op 7 september vorig jaar was het een halve eeuw geleden dat mijn dochtertje is verdronken. Ik heb toen een advertentie in De Telegraaf gezet: ‘JACQUELINE, 50 jaar onherstelbaar verdriet, papa.’

„Al die tijd heb ik met een geheim moeten leven. Althans, zo heb ik dat ervaren. Mijn vrouw heeft nooit over de dood van Jacqueline kunnen en willen praten. Uit liefde voor haar heb ik erover gezwegen, terwijl ik al die tijd zo sterk de behoefte heb gevoeld mezelf hierover te uiten.

„In de afgelopen vijftig jaar heb ik maar aan twee mensen het hele verhaal verteld: aan een goeie vriendin van mijn vrouw en mij en aan een nicht in Zuid-Afrika. En ik ben een keer een avond bij een collega gaan praten, omdat ik dacht dat hij open zou staan voor mijn worsteling. Maar hij bleek zeer gelovig te zijn en zei dat ik mijn lot in handen van God moest leggen; daar kon ik weinig mee.

„Mijn verhaal begint eigenlijk in de zomer van 1963. Met een bevriend gezin waren we op vakantie in Mook, Noord-Limburg. Op een avond, toen de kinderen al in bed lagen, zaten wij, de volwassenen, een kaartspelletje te doen. Opeens hoorden we onze oudste dochter, Dineke, vreselijk huilen. We renden naar haar toe en vonden haar in paniek in bed. Ze had een nare droom gehad. Toen ze weer een beetje kon praten, zei ze: ‘Ik ben zo bang dat Jacqueline doodgaat...!’ We hebben haar getroost, gekalmeerd en weer ingestopt. Ze was net zeven jaar, een leeftijd waarop kinderen wel vaker nachtmerries hebben.

„Een week of zes later ging ik op zaterdagochtend bij ons in de buurt naar de windhondenrenclub, waarvan wij lid waren. Heggen knippen. Jaqueline, van bijna drieënhalf, nam ik mee. Er waren daar altijd andere kinderen om mee te spelen.

„Zo tegen het middaguur dacht ik: ’s even kijken wat Jacqueline aan het doen is. Ze was een ondernemend kind, dat makkelijk contact maakte met andere kinderen en goed zichzelf kon amuseren. Ik zag haar niet meteen en maakte me eerst nog geen zorgen. Maar de tijd verstreek, het werd één uur, twee uur – toen sloeg de paniek toe.

„Iedere seconde van die bewuste zaterdagmiddag, -avond en -nacht, en alles wat direct daarna gebeurde, staat in mijn geheugen gegrift.” (Hij vertelt het verhaal van a tot z; te lang en deels ook te pijnlijk om hier te kunnen weergeven, GvE.)

„Op zaterdagavond is na het Journaal een politiebericht op tv uitgezonden: ‘Meisje vermist in Den Haag.’ Tientallen vrijwilligers hebben tot ’s avonds laat hier het bos uitgekamd. Het was vreselijk die stemmen te horen roepen in het pikkedonker: Jacque-li-ne!, Jacqueli-ien!

„Aan het einde van de avond is het zoeken gestaakt. Zondag bij daglicht zouden we doorgaan. Maar ’s ochtends vroeg belden twee mannen van de politie aan. Jacqueline was gevonden, in een brede sloot naast de renbaan. Verdronken.

„Mijn vrouw was in een shock en is dat zeker wekenlang, nee maandenlang gebleven. Nooit heeft zij mij enig verwijt gemaakt, in de trant van: ‘Het is allemaal jouw schuld, jij had op haar moeten letten!’ In feite heeft zij vrijwel nooit iets over de hele situatie gezegd. Ze kón het niet. Het was te heftig voor haar. Ik respecteerde dat. Ik zweeg met haar mee, hoe moeilijk ik het daarmee zelf ook had. Al die tientallen jaren heb ik een knagende pijn gevoeld, die ik beschouwde als straf voor mijn onoplettendheid, voor mijn eigen falen.

„Mijn vrouw was een hele gezellige vrouw. Ze kon verhalen vertellen als de beste; de mensen hingen aan haar lippen. Dat had een hele aangename kant: ze was goed gezelschap. Maar ik wist dat het ook een masker was. Achter haar luchthartigheid ging een vrouw schuil die een peilloos diep verdriet verborg, waarin ze voor niemand bereikbaar was – ook voor mij niet.

„Ach, en hoe gaat dat in die eerste jaren? Je hebt je werk, je hebt je oudste kind Dineke, in 1966 kregen we een zoon, Fred. Zo rolt het leven weer verder.

„Maar Jacqueline is sinds die zevende september 1963 geen dag uit mijn herinnering geweest. Ik ben gaan hardlopen, als uitlaatklep voor mijn verdriet – meerdere keren in de week, m’n vaste rondje. En altijd even stilgestaan bij de plek waar Jacqueline verdronken is. Dan keek ik om me heen. Was ik alleen? Ja? – dan schreeuwde ik het uit met intense uithalen, op een andere manier kon ik mezelf niet uiten.

„Ruim twintig jaar ben ik nu al met pensioen. Voor hardlopen ben ik te oud, ik maak nu mijn vaste wandeling, drie-, viermaal in de week. En nog steeds, elke keer, ga ik langs de plek van Jacqueline. Even bij haar stilstaan. Even aan haar denken. En aan Dineke, onze oudste dochter. Ook tegenover haar voel ik me schuldig. Hoe hebben we haar opgevoed? Hoe hebben we haar opgevangen na de dood van haar zusje? Ik weet het niet, ik weet niks meer over Dineke’s jeugdjaren, m’n herinnering aan die tijd is verder één groot zwart gat.

„Mijn vrouw overleed in februari 2012, na een lange, slepende ziekte. Eén ding heeft ze nog gezegd, vlak voor haar overlijden: ‘Ik zal je opwachten bij de hemelpoort, met Jacqueline aan mijn arm.’

„Nog dagelijks ben ik met mijn vrouw in gesprek. Ik praat tegen haar foto, ’s avonds, als ik de tv uitzet. Dan vertel ik wat ik die dag heb meegemaakt. Ik ken haar zó door en door dat ik van binnen hoor wat ze geantwoord zou hebben.

„Natuurlijk heb ik haar verteld dat ik nu naar buiten treed met mijn verhaal over Jacqueline. Mijn vrouw zegt: ‘Het is goed, doe jij dat maar. Als ’t jou helpt dit verhaal met andere mensen te delen, vind ik dat prima nu. Ik kon het niet.’

„Eindelijk, eindelijk kan ik mijn geheim prijsgeven en delen. Dit is de dag waarnaar ik ruim vijftig jaar heb toegeleefd.”

    • Gijsbert van Es