‘Een universiteit is steeds minder een plek waar je vrij kunt nadenken’

‘De beste definitie van een universiteit die ik kan bedenken is dat het een centrum is van onafhankelijk denken. Zulke centra zijn onmisbaar voor de vooruitgang, en zelfs voor de veiligheid van elke samenleving.”

Dat schreef in 1951 Robert Hutchins, filosoof en rector magnificus van de universiteit van Chicago. Het was de begintijd van de Koude Oorlog tussen het vrije Westen en de Sovjet-Unie en in de VS voerde senator Joseph McCarthy een kruistocht tegen het communisme. Hoogleraren met mogelijke communistische sympathieën werden monddood gemaakt, verloren soms hun positie.

Zo is het al lang niet meer: hoogleraren worden niet gecensureerd. Maar de definitie van een universiteit die Hutchins destijds formuleerde in het wetenschappelijk tijdschrift Ethics is nog steeds actueel, zegt Ingrid Robeyns.

Robeyns is opgeleid als econoom en filosoof, is hoogleraar ethics of institutions in Utrecht en leidt de afdeling ethiek van de Nederlandse Onderzoeksschool voor Wijsbegeerte. Net terug van een werkbezoek aan Canada en met nog een stevige jetlag maakt ze zich zorgen dat ze misschien te zwaar op de hand klinkt. „Ik wil zeker niet zeggen dat het vrije, onafhankelijke denken gevaar loopt. Maar het treft me dat deze kerntaak van universiteiten – het bieden van een plek waar mensen in coöperatie vrij en onafhankelijk kunnen denken – in de discussie over het wetenschapsbeleid amper aan bod komt.”

Er wordt over wetenschap vooral instrumenteel nagedacht, zegt Robeyns. Kijk naar de Miljoenennota en de vragen die daarin gesteld worden over de inrichting van het wetenschapssysteem: ‘kiezen de onderzoekers voor de juiste onderzoeksvragen, hebben de onderzoeksresultaten de maximale impact op de maatschappij?’ En: ‘is de huidige inzet van middelen optimaal voor het bereiken van een maximale maatschappelijke output?’

De discussie gaat sindsdien over praktische kwesties, zegt Robeyns. „Moeten we meer geld overhevelen van de eerste geldstroom, vaste budgetten voor universiteiten, naar de tweede geldstroom, competitie om onderzoeksgelden? Hoe krijgen we meer aansluiting bij de door de Europese Unie gedefinieerde onderzoeksthema’s om zo meer geld uit Europa binnen te halen?”

Daarachter schuilt het idee dat een wetenschapsagenda van bovenaf bedacht kan worden, zegt zij. „En dat lijkt me een fundamentele verandering van de visie op wat een universiteit is. Een universiteit is iets heel anders dan een kennisinstelling als bijvoorbeeld TNO die technisch-wetenschappelijke inzichten vertaalt naar praktische maatschappelijke toepassingen.”

Robeyns’ zorg is dat men nu toch probeert een homogeen wetenschapsbeleid uit te stippelen voor onderzoeksinstellingen én universiteiten. „En dat gaat voorbij aan die fundamentele rol van universiteiten als centrum voor kritisch en onafhankelijk nadenken. Met onderzoekers die niet buigen voor externe invloeden en voor wensen van financiers, maar die de waarheid zoeken, of in elk geval proberen de waarheid te benaderen.”

Een hoge werkdruk bevordert zo’n zoektocht niet, zegt zij. Als het je taak is om na te denken, dan is een zekere rust vereist, zoals Hutchins al schreef. Het voortdurend schrijven en beoordelen van onderzoeksvoorstellen, de voortdurende inspanningen om het voortbestaan van je onderzoeksgroep zeker te stellen, geven die rust niet.

„Misschien”, zegt Robeyns, „komen we mede daarom niet toe aan discussie over de volgens mij fundamentele vraag van dit moment: wat laten we los als we het beleid op deze manier voortzetten?”