Een aanslag als een kunstwerk

Veel hedendaagse kunstenaars willen met hun werk de wereld verbeteren. Maar kan dat wel? Of staat er altijd een muur tussen kunst en werkelijkheid? Kunstcriticus Hans den Hartog Jager maakte over die vragen een boek en een tentoonstelling.

Museum de Fundatie

De twee opgestoken middelvingers in Zwolle zijn van Ai Weiwei, de Chinese kunstenaar die symbool is geworden van het verzet tegen de politieke oppressie van de machthebbers in China. In deze twee werken uit zijn serie Study of Perspective (1995-2005) steekt hij ze op naar westerse machtssymbolen zoals de Sint Pieter in Rome. Met het ‘excuus’ dat hij de middelvinger nodig heeft om scherp te stellen, toont hij ook een onafhankelijke opstelling ten opzichte van westerse bewonderaars.

Ai Weiwei is de kunstenaar die op dit moment het meest voldoet aan het ideaalbeeld van de onafhankelijke geest. Het is vanzelfsprekend dat werk van hem is opgenomen in de tentoonstelling Meer Macht, die kunstcriticus Hans den Hartog Jager – die ook voor deze krant schrijft – heeft samengesteld voor Museum de Fundatie in Zwolle. Die tentoonstelling, die vandaag wordt geopend, gaat niet over anarchistisch verzet tegen machthebbers, maar over kunstenaars die de wereld willen veranderen.

Tegelijkertijd met de opening van zijn tentoonstelling vandaag brengt Den Hartog Jager zijn boek Het streven. Kan hedendaagse kunst de wereld verbeteren? uit. Daarin komt hij steeds terug op de muur die staat tussen kunstwereld en maatschappij. Die is opgebouwd sinds de tweede helft van de negentiende eeuw, toen het romantische kunstenaarsidee en het l’art pour l’art ontstonden. De kunstenaar maakte zich vrij van machtige opdrachtgevers en ging experimenteren en shockeren op zoek naar morele, emotionele en maatschappelijke vernieuwingen. De samenleving, die de kunstenaar betaalt voor zijn werk, laat hem zijn gang gaan zolang hij zich met kunst bezighoudt. Hoe kritisch die ook is. De kunstenaar toont, niet meer.

Complexer wordt het als de kunstenaar daadwerkelijk gaat trachten de wereld te verbeteren. Hij springt over de muur die kunstenaars samen met de samenleving hebben gebouwd. Dan moet hij zich plotseling wel houden aan de wetten, waarden en normen die in die gewone samenleving gelden. En dat wringt.

In de eerste zalen toont Den Hartog Jager kunstenaars die zich in de jaren zestig en zeventig door hun idealen lieten drijven. Van Joseph Beuys liggen er posters waarop hij in groene kleuren voor een echte volksdemocratie pleit en in rode kleuren duidelijk maakt waar het in de heersende partijendemocratie aan schort. Beuys richtte partijen op en stelde zich kandidaat. Een samoeraizwaard van vilt, zijn favoriete materiaal, symboliseert hoe hij met zachte middelen de strijd wilde voeren. Maar Beuys werd nooit verkozen.

Van Constant zijn ontwerpen en maquettes te zien die hij vanaf 1956 maakte voor zijn utopische stad New Babylon. Daar moest de mens vrij zijn van werk door de inzet van robots en zich volledig kunnen wijden aan kunst en expressie. In 1974 hield Constant gedesillusioneerd op. Hij ging weer schilderen. Even verderop hangt zijn werk Rwanda uit 1994 met verstilde slachtoffers van de genocide. De voormalige utopist schildert de vernietigingszucht van de mensheid.

Dan behoort hij weer tot de kunstenaars die hun ongemak tonen en proberen mensen aan het denken te zetten. IJzingwekkend is de zaal met drie werken van Anselm Kiefer. Op grote loden platen heeft hij in 2011 foto’s afgebeeld die hij in 1969 van zichzelf maakte terwijl hij de Hitlergroet bracht. Kiefer drukt zo uit dat de kunstenaar de vrijheid heeft alles te doen wat hij maar wil. Het zijn gebaren die je in de maatschappij niet kunt maken zonder veracht of zelfs vervolgd te worden.

Toch lijkt het activisme weer te herleven. In zijn boek geeft Den Hartog Jager een hoofdrol aan Renzo Martens. Die probeerde in zijn film Episode 3: Enjoy Poverty uit 2008 over de hulpindustrie in Afrika de rollen in Congo om te draaien door de Congolezen te leren hun armoede te exploiteren. Maar de kunstenaar trekt zich weer terug als het mislukt en roept de dubbelzinnige vraag op of het ook hem om de kunst is te doen of werkelijk om de Congolezen. De film is helaas niet te zien in De Fundatie. Wel is er een korte film over zijn Institute for Human Activities. Met de opbrengst van Episode 3 stichtte Martens in Congo op een oude Unileverplantage een nieuwe nederzetting waar Congolezen zich met kunst konden bezighouden als een kopie van het concept van de creatieve stad. Als de kunstenaars actief worden komen de winkels, cappuccinobars en later bedrijven vanzelf, was het idee.

De poging van Martens om hun leven te verbeteren, is gestrand. De Canadese eigenaar Feronia heeft de nederzetting gesloten. Al zijn bezittingen heeft Martens moeten achterlaten. Ook tekeningen die hij kinderen had laten maken van hun dromen. Juist het bordje waarop dat verhaal wordt verteld, maakt het geheel wrang.

Maar bij Martens blijft de vraag of hij echt iets in beweging wil brengen of juist een kunstwerk construeert om politieke en sociale mechanismen bloot te leggen. Dat geldt evenzeer voor de Israëlische Yael Bartana. In haar film Mary Koszmary (2007) doet een Poolse jongeling in een lange nazipropaganda-achtige speech een oproep aan Joden om naar Polen terug te keren en een Jewish Renaissance Movement te beginnen. Die beweging is daarna ontstaan, in een andere video wordt het eerste congres ervan getoond.

Bij de Albanese kunstenaar Edi Rama lijdt het geen twijfel dat hij over de muur heen is gestapt. Hij werd in 2000 burgemeester van hoofdstad Tirana. In een van de armste steden van Europa liet hij de bewoners hun huizen in felle kleuren schilderen. In de film Dammi i Colori (2003) van Anri Sala zegt Rama dat de kleuren niet functioneren als kleding of make-up, maar doordringen in de organen. De kleuren moeten zorgen voor een diep optimisme, ook al toont de film dat de grauwsluiers van armoede de stad niet verlaten hebben. Rama zegt dat hij er moe van wordt dat hij steeds moet uitleggen waarom hij dit heeft gedaan. Even is hij niet meer de politicus die in een democratie verantwoording schuldig is aan burgers, maar weer de kunstenaar die zijn werk niet wenst uit te leggen: het moet voor zichzelf spreken. Hij is nu minister-president.

De geëngageerde kunst uit de laatste jaren op deze tentoonstelling is vooral videokunst. In de film Static (2009) van Steve McQueen nadert de camera in een helikopter steeds dichter het Vrijheidsbeeld in New York. Vooral als het geluid van motor en wieken wegsterft voel je je intiem dichtbij het symbool van vrijheid en toch blijf je veraf. Op de achtergrond is de skyline van New York zichtbaar, waar de wond nog gaapt van de aanslag op de Twin Towers in 2001. Juist die aanslag is door de Britse kunstenaar Damien Hirst een jaar later omschreven als een kunstwerk waarop hij jaloers kon worden. De grens die een terrorist kan overschrijden, is er voor de kunstenaar één te veel.

En die grens overschrijden is ook niet per se nodig, is de gedachte die bij McQueen opkomt. Juist zijn stem wordt gehoord over over het slavernijverleden of de verhouding tussen blank en zwart door zijn Oscarwinnende film 12 Years a Slave. De kunstenaar krijgt echter niet die invloed met museale kunst, maar als hij de stap heeft gezet naar de commerciëlere filmwereld.

Maar als je met die – toch optimistische – gedachte het zaaltje verlaat, stuit je tot slot op twee lijken. Het zijn levensechte wassen beelden van een blanke man – gelijkend op de kunstenaar – en een zwarte man. Hoe ze zijn omgebracht, maakt Roy Villevoye niet duidelijk in The Clearing (2010). Hij roept een mysterie op. En wat wil Den Hartog Jager met dit sluitstuk? Drukt hij hier de machteloosheid van de kunstenaar uit? Of heeft die kunstenaar toch pas de ultieme macht als hij ook doden durft te laten vallen?

    • Daan van Lent