De C verdient een ster op zijn neus

Bas van Putten rijdt in een bijna perfecte Mercedes. De nieuwe C-klasse wil geen racewagen zijn. Hij geeft rust.

Foto Lars van den Brink

Toen Mercedes-Benz in 1982 voor het eerst in decennia met een compacte sedan kwam, de 190, kreeg hij de ironische, liefkozende bijnaam ‘Baby-Benz’. Die verwoordde de verbazing over een bescheidenheid die niet lang stand zou houden. Nadat de 190 in 1993 was opgevolgd door de C-klasse en Mercedes vanaf de jaren negentig met nog kleinere modellen kwam, kregen de respectievelijke generaties C-klasse in de modellenhiërarchie de ruimte om weer stapsgewijs naar Benz-waardige proporties door te groeien.

De nieuwe is met bijna 4.69 meter bijna zo lang als de Mercedes E-klasse W124, in de jaren tachtig nog de grote broer van de Baby-Benz. Dat formaat gaf de ontwerpafdeling de bewegingsvrijheid voor de eerste C-klasse met Teutoonse schwung. Het werd een monumentaal, gewichtig ding, hoewel hij 100 kilo lichter is dan zijn kleinere voorganger. De terugkeer naar traditionele Duitse waarden wordt bij de Elegance-versie bekroond met het ereteken dat zijn voorplecht siert zoals een erekruis de veteranenborst: bovenop de neus is als een weerhaan de Mercedesster geplaatst. Voor de toegevoegde waarde van dat sieraad laat je de sportief bedoelde Avantgarde-variant van de C graag staan. Die draagt zijn ster te groot in een iets te brutale grille, modern maar eerloos.

Niettemin, de superioriteitsobsessie is bij Mercedes helemaal terug: das Beste oder nichts. De mediacampagne steekt de ambities niet onder stoelen of banken. Mercedes noemt de C de kleine S-klasse, toe maar. De gelijkenis met het vorig jaar gepresenteerde topmodel is inderdaad zo treffend dat je pas van dichtbij het verschil ziet, maar de vergelijking blijft gewaagd. Bouwkwaliteit, comfort en weggedrag zullen op torenhoog niveau moeten liggen om de C in zijn liga te bevorderen tot wat de S-klasse nu onaantastbaar in de zijne is: de maat der dingen. Ze leggen de lat heel hoog. Bij een auto met een relatief bescheiden basisprijs van 37.000 euro wordt de kostenbeheersing toch een factor. Maar met de deur in huis: het is gelukt.

Zijn grootste troef is zijn ongekende comfort. Het weggedrag heeft niets van de sportief bedoelde stugheid die in deze klasse schering en inslag is. De vering is haast week; dit is de eerste middenklasser sinds heel lang die wiegend glijdt. De C-klasse breekt radicaal met de doctrine dat de kopersgroep voor betere sedans woon-werkverkeer als permanente straatrace opvat. Ik heb me verbaasd over de hardnekkigheid waarmee BMW en Audi, maar tot voor kort ook Mercedes zelf, hun grotere middenklassers bijna krampachtig in een GTI-mal persten. In principe zijn dit reisauto’s voor veelrijders die je niet voor het hoofd stoot met een beetje zen tussen de stressmomenten. De C-klasse haakt aan bij een tendens: de bovenmodale consument verliest zijn interesse in pk’s en bochtsnelheden. Hij wil zachtheid, rust en de luxe van thuis, met gadgets die een aangename afleiding betekenen.

Parfumverstuiver

Zo is de C-klasse te koop met een totaal onzinnige parfumverspreider in het dashboardkastje, die je ook met je eigen lievelingsgeur mag vullen. De aardige mevrouw die tijdens de introductie van de C-klasse die luchtverfrisser toelicht, blijkt te werken als Trendforscher bij Mercedes-Benz. Ik kan me een nuttiger tijdsbesteding voorstellen dan het geurgebeuren, maar haar taakomschrijving wijst erop dat dit merk de vinger aan de pols van de consument houdt.

Uitzonderlijk is het geluidscomfort. De extra leverbare gelamineerde ramen, een luttele vier millimeter dik, isoleren de auto net zo effectief als de loodzware dubbele beglazing van mijn oude S-klasse. Het windgeruis is nihil. Met zulke optimale randvoorwaarden maakt het weinig uit met welke motor je de C-klasse bestelt. De C400 met zijn drieliter zescilinder turbo heeft een uitsluitend symbolische meerwaarde. Aan mijn C250 met zijn nederige tweeliter turbo – 211 pk – hoor ik bij stevige acceleraties nog net dat het een viercilinder is, maar in de stad is hij bijna zo stil als een elektromotor en bij constante snelheden tussen de 120 en 140 is de rust verbluffend. De diesels zijn iets luidruchtiger en hun hogere gewicht doet in lichte mate afbreuk aan de carrosseriebalans, maar op snelheid wordt hun dreun gesmoord in isolatiemateriaal.

Een zo goed als perfecte auto dus, met als enige verbeterpunt de achterbank. Die zit niet lekker en de zitting is te kort, waarschijnlijk om de beenruimte te vergroten. Enfin, wie daar wil zitten koopt een S-klasse.

    • Bas van Putten