‘Wat Europa bindt is oorlog’

In Hamburg speelt ‘Front’, een gestileerde bewerking van de roman Im Westen Nichts Neues van Erich Maria Remarque (1929). ‘Cijfers zeggen pas iets als je inzoomt op het individuele lot’, aldus de regisseur.

Foto Armin Smailovic

Verbijsterd kijken de jongens – jongens zijn het nog – uit over het slagveld. Ze horen wat geen mens zou mogen horen: doodskreten uit duizenden kelen, van gevelde vrienden die op luttele meters afstand langzaam sterven. En nog iets anders, iets onbekends; de doodsnood van hun paarden. Ze zien dingen die te gruwelijk zijn om aan te zien. Een paard dat neerstort, opkrabbelt, wankelt en weer valt; gestruikeld over zijn eigen darmen die uit zijn opengereten buik hangen. Na een jaar aan het front, een jaar waarin dit soort aberraties hun dagelijkse werkelijkheid wordt, zijn Paul Bäumer en zijn vrienden hoogbejaard. Ze hebben veel te veel gezien. Tussen hen en een groepje nieuwe rekruten – 18, 19 jaar, zo oud als zij ooit waren – gaapt nu een niet te overbruggen kloof. Ze zijn te oud om ooit nog naar hun jonge levens terug te keren.

Hoe breng je de totale vernietiging van ‘de grote oorlog’ op toneel? Regisseur Luk Perceval doet het bij het Duitse Thalia Theater in Hamburg met een gestileerde, minimalistische toneelbewerking van de roman Im Westen Nichts Neues van Erich Maria Remarque (1929). In zijn polyfone stemmenspel Front verbeeldt Perceval de grootscheepse verwoesting sober en ingetogen. Met eenvoudige stalen platen wordt het geluid van een bombardement nagebootst. Niet luid, wel bevreemdend en ongemakkelijk.

Te midden van wat aan het front een zenuwslopend kabaal moet zijn geweest, laat hij zijn acteurs stil en beheerst spelen. Schreeuwen wordt fluisteren. Het geluid van stervende paarden, door Remarque zo pijnlijk beschreven, is hier het ondraaglijke schrapen van staal op staal; doeltreffend in zijn abstractie. „Hoor je dat?’’ zegt acteur Oscar van Rompay zacht tegen een medesoldaat. Ze staan en luisteren, zwijgend. Bij zulk leed, dat elk begrip te boven gaat, kun je alleen maar stil vallen.

Proberen de verwoesting van de Eerste Wereldoorlog op toneel te imiteren, zou aanmatigend zijn, ridicuul, zegt Luk Perceval na de eerste doorloop in Hamburg. De Vlaming, die sinds 2009 het Duitse theater leidt, zoekt de oplossing in abstractie en minimalisme, zozeer dat zijn acteurs bijna niet echt mogen spélen.

Uit Remarques roman, de Franse klassieker Le Feu van Henri Barbusse (1919) en historische documenten destilleerde hij achttien personages, elk met een eigen verhaallijn. Zijn twaalf acteurs (sommigen hebben een dubbelrol) plaatst hij op een rij aan de rand van het toneel, gezichten frontaal naar de zaal. Beurtelings zeggen zij hun teksten, in Vlaams, Frans, Engels en Duits.

Perceval: „Ze staren naar de overkant, oog in oog met de vijand; de dood. Dat gold voor alle soldaten aan het front destijds, of ze nu aan Duitse of geallieerde zijde vochten. Ze bevonden zich op een afstand van vijftig meter van elkaar, met de opdracht elkaar te doden. Maar ze hadden veel gemeenschappelijk; allemaal wilden ze veilig naar huis. Dat verlangen werd omgebogen tot destructie.”

Wrang

Front is een co-productie van het Thalia Theater en het Vlaamse gezelschap NTGent. De wens om samen te werken bestond al langer, maar Perceval wilde dat alleen als zo’n Vlaams-Duitse productie ook inhoudelijk te rechtvaardigen was. Met de herdenking van de Eerste Wereldoorlog diende zich de gepaste aanleiding aan. „Het probleem met zo’n herdenkingsjaar is dat iedereen zijn eigen slachtoffers herdenkt, zijn eigen, specifieke, nationale geschiedenis centraal stelt. Met Front wil ik die beperking overstijgen. Wij zullen met deze voorstelling door heel Europa toeren, naar Edinburgh, Brussel, Belgrado, Sarajevo en misschien zelfs naar Rusland. Ik vind het belangrijk om in een tijd dat Europa ernstig verdeeld is, en zelfs weer een nieuwe oorlog dreigt, te laten zien wat ons bindt en wat we delen. Het wrange is: wat Europa bindt is oorlog. Elk Europees land heeft wel zijn eigen monument voor een onbekende soldaat. Al die jongens vochten in oorlogen die ze geen van allen begrepen, of hadden gewild. Welke taal je ook spreekt, we hebben een gemeenschappelijke taal van pijn, spijt en verlies.”

Om die reden voert Perceval personages op van vier verschillende nationaliteiten, zowel aan als achter het front. Paul Bäumer en zijn maten, die de Duitse kant van het verhaal vertolken, staan tegenover een naïeve Vlaamse boerenzoon (Van Rompay), diens moeder en geliefde zuster aan het thuisfront, een agressieve, alcoholische Franse officier en een Britse verpleegster in het veldhospitaal.

Baümer en zijn vrienden zien hun jongensdromen verloren gaan. De boerenzoon stuurt wanhopige brieven naar huis, die onbeantwoord blijven. De verpleegster wordt verliefd op een patiënt. De officier durft niet meer met verlof, omdat zijn echtgenote thuis vreemdgaat. Al hun verhaallijnen zijn filmisch door elkaar gesneden. Maar er is nauwelijks interactie tussen de personages: ze delen hoogst zelden een dialoog, en als dat al gebeurt, wordt die uitgesproken richting zaal, niet tegen een medespeler.

Het grootste deel van de voorstelling laat Perceval zijn acteurs op een rij staan. Zo echoën ze de onschuldig ogende groepsportretten van officieren, die bij aanvang op de achterwand worden geprojecteerd. Zo ook zagen de strijdende partijen soldaten van de overkant oprukken; keurig netjes, rij na rij. Het publiek ziet hen als door het oog van de camera, of door de loop van een geweer.

Mooi symbool

Een paar keer haalt de regisseur ze uit het gelid. Bij het verbeelden van een aanval kiest hij wederom de abstractie. In plukjes verspreid tollen de acteurs op voor- en achtertoneel eindeloos om hun as. Het illustreert treffend de wanorde en ontreddering waaraan soldaten in het niemandsland ten prooi vielen; blind en doof door het lawaai en de chaos, zonder enig besef van waar ze waren, waar naartoe op weg en waarom; niet zeker of ze zouden leven of sterven. Ze hebben richting noch perspectief. De zinloze beweging is ook een mooi symbool voor de oorlog als geheel, die maar door en door ging, zonder dat de soldaten wisten waarom. Een gruwelijk perpetuum mobile. ‘We’re here because we’re here because we’re here’, klonk destijds een bekend Brits soldatenliedje.

Perceval is in Vlaanderen met de Eerste Wereldoorlog opgegroeid. „Je kunt er daar niet om heen; je struikelt er over de begraafplaatsen, nog jaarlijks komen er mensen om bij het opgraven van explosieven, vorige week zelfs nog.” In de anderhalf jaar voorbereiding voorafgaand aan de productie las hij „meters boeken”. In één adem somt hij wat getallen op: 17 miljoen slachtoffers, 700.000 dode paarden, kilometers loopgraaf van de Noordzee tot de Zwitserse grens. Er vielen, vertelt Perceval, nog 5.000 doden tussen 5 uur ’s ochtends op 11 november 1918, toen de vrede werd getekend, en zes uur later, toen het vechten werd gestaakt. Perceval: „Die omvang gaat elk begrip te boven. Ze noemen het niet voor niets de grote oorlog. Er werden zelfs Chinezen hiernaar toe gehaald om het slagveld op te ruimen, wat een horror, stel je voor.”

Im Westen Nichts Neues was het boek dat voor hem die waanzin het best verbeeldt, „in een sterk poëtische, steeds mystieker wordende taal.’’ Barbusses furieuze Le Feu koos Perceval „omdat Barbusse ons als geen ander ‘the heart of darkness’ toont.” Van Vlaamse zijde waren er niet zulke krachtige literaire verslagen, zegt Perceval, en dus baseerde hij de Vlaamse boerenzoon op brieven van Vlaamse soldaten. De Britse verpleegster komt uit dagboeken. En de dronken Franse officier is gebaseerd op het toneelstuk Journey’s End (1928) van de Britse schrijver Robert Cedric Sheriff.

Daarnaast toont Perceval, in gestileerde, esthetische vorm, beelden en gebeurtenissen die als kenmerkend voor de oorlog worden beschouwd, zoals de inzet van gifgas en het optreden van shellshock. Op het achterdoek worden fragmenten van een onbedaarlijk trillende shellshockpatiënt getoond. Een aanval met gifgas wordt aangrijpend verbeeld met groenig licht en vreemd vertraagde onderwatergeluiden, zoals in het gedicht Dulce et Decorum Est van Wilfred Owen: ‘Door mijn bedompte glazen zie ik hoe hij zinkt/ En in een dik groen licht, een zee van slijm, verdrinkt.’

Verbroedering

Ook de momenten van verbroedering tussen de strijdende zijden krijgen een plek. Perceval laat zijn personages samen zingen en een potje voetballen, als verwijzing naar Kerst 1914, toen Britse en Duitse soldaten kortstondig vrede sloten, en uit de loopgraven klauterden om elkaar te ontmoeten en cadeautjes uit te wisselen. Totdat ze er van hogerhand in werden teruggestuurd om elkaar weer dood te schieten.

Voert het gesprek Perceval geregeld naar de krankzinnige omvang van de oorlog, in Front is hij daar doelbewust van weggebleven. Er worden geen feiten of cijfers over de oorlog opgedist, de bedoeling is niet te imponeren met effecten, en de voorstelling is geenszins bezweken onder een veelheid aan informatie. „Ik zou nog tien jaar kunnen doorlezen. Maar op zeker moment moet je besluiten: dit is het materiaal waarmee ik het ga doen. Mijn doel is niet om een historisch weergave van de oorlog te geven, of het publiek te informeren over hoe die oorlog is ontstaan. Dat wisten die soldaten ook niet. Ik wil de emotionele kant van die oorlog laten zien en voelen, iets tonen van wat de werkelijkheid van het front was. Cijfers zeggen pas iets als je inzoomt op het individuele lot.”

Het lot van soldaten als Paul Bäumer is wrang. Als ze al overleven, zullen ze nooit meer terug kunnen keren naar een vooroorlogs leven. Ze kwamen net van school en hadden nog niets opgebouwd toen de oorlog uitbrak; geen huwelijken, geen carrières. Na de wapenstilstand wacht hen niets, hun geest is verwoest en er is geen vangnet; ze zijn een gedoemde generatie.

Het slot van Front is hoopvoller. De Babylonische spraakverwarring die de personages aanvankelijk nog verdeelt mondt uit in een gezamenlijk, veeltalig, unisono gebed. Dat sluit aan bij Percevals Europese utopie: „ieder behoudt zijn eigen stem, zijn eigen taal, cultuur en identiteit. Maar ze komen samen in de harmonie van een gemeenschappelijk streven, een gedeelde droom. In dit geval is die droom vrede.”

    • Herien Wensink