Uitstekend bestuur, slechte regering

Voor het eerst sinds 1968 schreef een Duitse auteur een overzichtswerk waarin de hele Eerste Wereldoorlog wordt behandeld. De Duitsers wisten amper wat ze deden, zo blijkt uit dit meesterlijke boek.

Fräulein Feldgrau’, Duitse ansichtkaart uit de Eerste Wereldoorlog Uit ‘Het album van de Eerste Wereldoorlog’

Wat was het toch jammer, schreef Max Weber in april 1916 aan zijn moeder, dat hij, die van al haar zonen ‘de sterkste oorlogszuchtige instincten’ had, te oud was om aan het front te dienen. Weber was vijftig jaar toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak. Hij was een overtuigd Duits nationalist, maar voor de beroemde socioloog was alleen een betrekking in een lazaret in Heidelberg beschikbaar.

Niet lang daarna moest Weber van de oorlog niets meer hebben. Hij realiseerde zich dat Duitsland de strijd zou verliezen. De door intellectuelen in kranten gevoerde discussies over een heldhaftige bevochten Siegfrieden (overwinningsvrede) met bijbehorende annexaties van land, noemde hij gezwets waarvoor ‘de mannen daarbuiten bloeden en sterven’.

Dat in Duitsland de intelligentsia zich zo actief met de discussie over de gewenste uitkomst van de oorlog bemoeide, was uniek, stelt de Duitse auteur Herfried Münkler in zijn boek Der Grosse Krieg. Het maatschappelijk debat over de oorlog in Duitsland was van theologisch-filosofische aard, schrijft hij. De oorzaak van deze zoektocht naar zingeving was dat er voor het keizerrijk van Wilhelm II in 1914 eigenlijk helemaal geen overtuigende politieke en economische redenen waren geweest om oorlog te gaan voeren.

Met het meesterlijke boek van Münkler verschijnt in Duitsland voor het eerst sinds 1968 een overzichtswerk over de Eerste Wereldoorlog. Münkler is hoogleraar aan de Berlijnse Humboldt Universität en van huis uit politicoloog. Dat is te merken in Der Grosse Krieg: de auteur blinkt uit in de verklaring van de loop der gebeurtenissen. Daarbij richt hij zich met name – maar zeker niet alleen – op het handelen van de Duitse regering en het leger.

Blanco cheque

De Eerste Wereldoorlog begon op de Balkan. Op 28 juni werd de Oostenrijkse aartshertog Franz Ferdinand in Sarajevo vermoord door Gavrilo Princip. Deze terrorist werd gesteund door de Servische geheime dienst. Hierop gaf Berlijn het signaal aan Wenen dat Duitsland Oostenrijk onvoorwaardelijk zou steunen, wat de reactie ten opzichte van Servië ook mocht zijn. Deze zogenoemde ‘blanco cheque’ is door veel historici geduid als dé cruciale stap in de reeks van gebeurtenissen die leidde tot het uitbreken van de oorlog.

Van een vooropgezet plan om tot een continentale oorlog te komen, was bij de wispelturige keizer Wilhelm II en rijkskanselier Theobald von Bethmann Hollweg geen sprake, schrijft Münkler. Het handelen van de Duitse regering kwam voort uit ‘een samenspel van angst en onbedachtzaamheid, hoogmoed en grenzeloos zelfvertrouwen’, concludeert hij.

De Duitse staat functioneerde niet goed, aldus Münkler. Als zich een probleem voordeed, werd het grootste deel in een bureaucratisch op te lossen kwestie vertaald, terwijl de rest werd overgelaten aan politiek oncontroleerbare willekeur. Dat kon alleen goed gaan zolang een genie als Bismarck verantwoordelijk was.

Maar Bethmann Hollweg was geen Bismarck – en dus lag het primaat in Duitsland bij de bureaucratie. Het keizerrijk werd, aldus Münkler, ‘uitstekend bestuurd, maar slecht geregeerd’. Tijdens de crisis die volgde op de aanslag op Franz Ferdinand had de militaire bureaucratie, de generale staf, het voor het zeggen. Stafchef Helmuth von Moltke had in juli 1914 als enige een plan, het naar zijn voorganger vernoemde Von Schlieffenplan, dat voorzag in een oorlog met Rusland én Frankrijk. Hij drong er bij de keizer op aan het plan uit te voeren voordat deze landen Duitsland op militair gebied voorbij waren gestreefd. Dat zou uiterlijk in 1917 het geval zijn, dacht hij. Als Duitsland oorlog wilde voeren, dan kon het beter zo snel mogelijk gebeuren, zei Moltke.

En zo geschiedde. Op 4 augustus viel Duitsland België binnen en was de oorlog een feit. Daarmee heeft het land echter nog geen ‘schuld’ aan het uitbreken van het conflict, betoogt Münkler. Hij wil het sowieso niet hebben over schuld, maar over ‘verantwoordelijkheid’. Zeker, Duitsland had als machtigste en economisch sterkste land in het midden van Europa een grotere verantwoordelijkheid dan een perifeer gelegen of zwakkere staat, stelt Münkler. ‘Onverantwoordelijk ageren in Belgrado of Wenen was te verwerken geweest, wanneer men in Berlijn bezonnen had opgetreden.’ Maar, benadrukt hij: die grote macht in het midden van Europa kon haar verantwoordelijkheid alleen nemen als de andere grootmachten van het continent haar in deze positie accepteerden en steunden.

En die acceptatie was er niet. Frankrijk, Rusland en het Verenigd Koninkrijk hadden allemaal hun eigen redenen om de Duitse opkomst op militair en economisch gebied te willen tegenwerken. En daarom deelden ook zij blanco cheques uit: Rusland aan Servië, en Frankrijk aan Rusland. Münkler concludeert dat de sleutel tot de oorlog in de Russische hoofdstad lag. Als men daar niet had gemobiliseerd, was het wel tot een Balkanoorlog gekomen, maar niet tot een groter conflict.

Het Von Schlieffenplan mislukte. In de herfst van 1914 liep de oorlog in Frankrijk vast in een loopgravenstrijd. In het oosten leden de Oostenrijkers enorme verliezen tegen de Russen, terwijl de Duitsers erin slaagden fikse overwinningen te behalen. Maar nu het niet gelukt was om Frankrijk te verslaan, was de oorlog voor Duitsland eigenlijk niet meer te winnen. Het lag dus voor de hand dat de Duitse regering onderhandelingen zou beginnen om tot een vergelijk te komen met de geallieerden.

Dat gebeurde niet, omdat de politiek opnieuw faalde, schrijft Münkler. De regering wist geen duidelijke oorlogsdoelen te formuleren, en dus gingen anderen met de oorlog aan de haal. De militairen wilden doorvechten omdat militairen dat nu eenmaal willen, en ze werden gesteund door de nationalistische intelligentsia. Die zag de strijd als een verdedigingsoorlog die het Duitse volk – en alle deugden waar dat volk voor stond – voor de ondergang moest behoeden. Het kunnen verdragen van grote verliezen was één van die deugden. Zo werd het voortzetten van de oorlog van een middel een doel.

Vooruitgang

De oorlog mocht op strategisch niveau niet te winnen zijn, op tactisch gebied boekten de Duitsers vooruitgang. Daardoor leek het erop dat het leger er toch in zou slagen de strijd tot een acceptabel einde te brengen. In de politiek ontbrak dit vermogen tot aanpassen: zelfs nadat het leger had gefaald, slaagden de afgevaardigden in de Rijksdag er niet in het heft in handen te nemen. Dat Duitsland vanaf 1917 de facto een militaire dictatuur werd, was de logische uitkomst van dit proces.

Toen de Verenigde Staten in 1917 aan de oorlog gingen deelnemen, was het lot van Duitsland bezegeld. In het najaar van 1918 deed een geallieerd offensief van honderd dagen het Duitse leger ineenstorten. Generaal Ludendorff eiste nu van de politici in Berlijn dat ze een wapenstilstand bewerkstelligden – en dat deden ze. Het leger ontliep zijn verantwoordelijkheid.

Op 11 november 1918 zwegen de wapens. Veel te laat had in Duitsland de politiek het weer voor het zeggen gekregen. In de jaren na de oorlog kregen politici de schuld voor de Duitse nederlaag in de schoenen geschoven. Er zou sprake zijn geweest van een dolkstoot in de rug van het niet verslagen leger. Adolf Hitler zou van deze mythe dankbaar gebruik maken.

Münkler eindigt zijn boek met een hoofdstuk waarin hij reflecteert op de lessen van de oorlog die anno 2014 van toepassing zijn. Daarbij beschouwt hij onder meer de rol van Duitsland in de EU en de overeenkomsten tussen het huidige China en het Duitse keizerrijk van een eeuw geleden. In Duitsland heeft Christopher Clark met zijn Slaapwandelaars de afgelopen maanden veel boeken verkocht. Der Grosse Krieg van Münkler verdient ook een groot lezerspubliek – daar en hier.

    • Bart Funnekotter