Twee reddende front-engelen

Elsie en Mairi verplegen een Belgische soldaat Uit besproken boek

Het verhaal van twee onverschrokken Britse verpleegsters die op eigen houtje een medische post aan de frontlinie beginnen, behoort tot de wonderbaarlijkste van de Eerste Wereldoorlog. Elsie Knocker (30) en Mairi Chisholm (18), fanatieke motorrijdsters, melden zich in 1914 als vrijwilliger aan bij Dr. Hector Munro’s Flying Ambulance Corps. Dit reddingsteam wordt gestald in Gent en belandt na de Duitse opmars in Veurne. Vanuit Veurne halen Elsie en Mairi met hun ambulance gewonden op aan het front.

Maar als de IJzervlakte onder water wordt gezet en Munro’s team verhuist, beginnen Elsie en Mairi voor zichzelf. Hun frustratie is dat er te veel soldaten sterven tijdens de ambulancerit naar het hospitaal. Wonden moeten zo veel mogelijk meteen worden behandeld, vinden ze en ze besluiten tot een verpleegpost aan de frontlinie in het dorp Pervijze. Waanzin, volgens Munro, want ze liggen er binnen schootsafstand van de Duitse artillerie.

Het is de Vlaamse tekenaar Ivan Adriaenssens in zijn graphic novel niet louter te doen om de onwaarschijnlijke moed van de twee vrouwen en de gruwelen die hen omringen. Waar de Franse tekenaar Tardi in zijn stripklassieker Loopgravenoorlog furieus het sadisme van officieren en de schaapachtigheid van de mens hekelt, registreert Adriaenssens koel hoe de stoïcijnse Elsie en de roekeloze Mairi bloed stelpen, ambulances rijden en soep uitdelen. Explosies, een veld vol doden en gewonden, een binnenplaats waar geamputeerde ledematen hoog opgestapeld liggen: het brengt hen niet uit hun evenwicht.

Adriaenssens voert het verhaal op via de redacteur die de dagboeken van de twee samenvoegt tot een publicatie die al in 1916 verschijnt en in 1917 twee herdrukken beleeft. Elsie en Mairi worden beroemd. Ze ontvangen onderscheidingen en krijgen hoog bezoek. Dat helpt bij het zelf bekostigen van hun post, waarvoor ze ook nog geregeld optreden in hun vaderland. Begin 1918 maken gasaanvallen, die ze ternauwernood overleven, een einde aan hun engelenwerk.

Van Adriaenssens verscheen in 2011 al Afspraak in Nieuwpoort, over de ervaringen van vier frontsoldaten. Dat was mooi, maar dit tweede oorlogsboek is soepeler verteld en getekend. Zijn plaatjes bouwt hij vaak op in twee lagen: vooraan zijn de personen scherp, daarachter beeldt hij de gedetailleerde decors van verwoeste steden en drassige loopgraven af in schilderachtig soft focus.

Het geeft zijn tekeningen een spannende scherptedieptewerking. Het aquareleffect van de achtergronden bereikt hij door de met balpen en inkt gemaakte tekening met water te verdunnen. Het eindresultaat is een formidabele strip.