Reis naar het einde van de adel

Zoals Stefan Hertmans Oorlog en terpentijn baseerde op de cahiers van zijn grootvader, zo putte Andrea Molesini voor zijn roman Niet alle smeerlappen komen uit Wenen uit het dagboek van zijn oudtante Maria Spada. Hij vond daarin beschreven hoe het in Refrontolo gelegen landhuis van de familie Spada in november 1917 door oprukkende Oostenrijkse troepen werd gevorderd. In de roman wordt het verhaal verteld door de 18-jarige Paolo.

De Weense officier die in het landhuis wordt ingekwartierd is een baron, met dezelfde omgangsvormen en interesses (paarden!) als de aristocratische Spada’s. Wat men ook deelt is het besef dat de oorlog het eind van de Europese adel zal betekenen. In de loopgraven strijden jonge officieren zij aan zij met arbeiders en boeren, dat is niet alleen dodelijk voor de betrokkenen maar ook voor het klasseverschil. Na de oorlog zal het woord aan de massa zijn.

De betrekkingen zijn niet onaangenaam; er groeit zelfs genegenheid tussen Maria en de Oostenrijkse baron. Ondertussen zijn de Spada’s wel gast van de vijand in hun eigen huis. Bovendien zijn deze standsbewuste aristocraten ervan doordrongen dat tegenover privileges verantwoordelijkheid staat, en dat ze zich tegen de bezetter dienen te weren. Wanneer de baron hun ondergrondse activiteiten ontdekt, heeft die op zijn beurt geen andere keus dan de krijgswetten te hanteren. Dit is het spannende loyaliteitsconflict waar de roman om draait. Daarnaast wordt de adolescent Paolo versneld volwassen onder druk van de oorlogsomstandigheden: ‘Ik heb van iemand gehouden en ik heb iemand gedood, en het leven is volbracht.’

Niet alle smeerlappen komen uit Wenen is het zeer geslaagde romandebuut van literatuurwetenschapper, vertaler en kinderboekenschrijver Andrea Molesini (Venetië, 1954). Zijn sterkste punt is de tekening van interessante, gelaagde personages. Grootvader is een excentrieke liberaal die zich liefst terugtrekt op zijn ‘denkkamertje’, waar hij veinst een roman te schrijven. Grootmoeder is een wiskundige die de code bedenkt waarmee Villa Spada de wekelijks overvliegende Engelse piloten van strategische informatie voorziet: het op de binnenplaats uitgehangen wasgoed verwijst naar troepenbewegingen. Het beheer van het landgoed is in handen van de onverzettelijke tante Maria Spada, een hartstochtelijk paardenliefhebster, die de militaire inzet van het edele dier verafschuwt. Er is een Italiaanse inlichtingenofficier, Renato, die als mannelijk rolmodel voor Paolo fungeert, en een femme fatale, Giulia, die zijn seksuele educatie ter hand neemt.

Paolo’s distantie, wat iets anders is dan ongevoeligheid, leidt tot een zakelijke toon. Molesini gaat de horror niet uit de weg, hij beschrijft de verminkingen van infanteristen in de tot ziekenhuis omgedoopte kerk van Refrontolo, maar doet dat sober, niet uitputtend, alsof hij meende dat de gruwelen van de loopgraven al schilderachtig genoeg zijn weergegeven door degenen die daar, als ooggetuigen, meer recht toe hadden.

De kern is wat Paolo denkt wanneer hij ten slotte voor het vuurpeloton staat: ‘De baron sprak mijn taal en die boeren niet [...] maar op dat moment voelde ik dat door de oorlog, door die smerige oorlog, die boeren en ik aan de ene kant stonden en de baron en de zijnen aan de andere kant. En als die armoedzaaiers op dat moment naar hun hooivorken hadden kunnen grijpen, hadden ze de baron afgemaakt, en niet ons, ook al was de wrok die ze jegens ons koesterden meer gefundeerd en al generaties oud.’

    • Marco Kamphuis