Nu komt het multicultureel samensterven

Van de eerste generatie Marokkanen had Nederland niet zoveel last. De mannen werkten hard, vrouwen bleven binnen om te koken en te poetsen. Zij verdienen nu rust en zorg, meent Mohammed Benzakour.

Wie voor een bijenkorf staat, ziet chaos. Maar wie het dak optilt, ziet hoe dit volk tot in de kleinste details is doordacht. Anatomie, stuifmeelopslag, honingvoorraad, gelei, airconditioning, bijenwas, propolis, hexagonale flatwoningen, beveiligers, babysitters, schoonmaaksters en ja: mantelzorgers. De micromaatschappij van de bij is volmaakt toegesneden op voortbestaan, met als centrale spil: de moer, ook wel: de koningin. Zij is het allerbelangrijkste. Zonder moer geen gemeenschap, zonder moer geen samenleving of identiteit.

Een moer die wegvliegt neemt het hele of halve volk mee. Zo streken in Europa een halve eeuw geleden de eerste zwermen neer van de apis mellifera scutellata, de Afrikaanse honingbij. Ons gezin nestelde zich in 1974 in Zwijndrecht. Een frisgroen, aangeharkt tuindorpje met veel kerken, bloemen en perenbomen.

Moeder legde zich volledig toe op huistaken, ze kookte, dweilde, baarde en voedde kinderen op. Als een heuse koningin verliet ze vrijwel nooit het nest.

Haar eerste grote trektocht door de wijde wereld was de bruidsvlucht. Op haar trouwdag schoot ze zichzelf als een pijl naar het dak van de hemel en vader vloog haar achterna en explodeerde zijn testikels in haar binnenste en viel doodmoe neer op de grond. Zijn opdracht zat erop: nageslacht.

Daarna bleef moeder vooral lekker binnen. Eten maken en eitjes leggen. Ze werd beschermd tegen kwaaie indringers. Soms stak ze haar vleugeltjes naar buiten, om een straaltje zonlicht op te vangen. Maar verder leidde moeder een volstrekt anoniem bestaan en men vond dat prima, als het gezin maar genoeg honing produceerde – en dat deed het. Elk gezinslid werkte ijverig voor de kost, en de hele buurt was domweg gelukkig in zijn straatje, in zijn nestje.

Maar toen kwam de klad erin, langzaam, sluipend als een dief in de nacht. Steeds meer jonge bijtjes begonnen zich te vervelen en gingen rebelleren, ze deden niet wat van ze verwacht werd: helpen verzamelen van nectar en stuifmeel.

Nee, in plaats daarvan gingen de jonkies hangen in bloemenvelden, maakten amok op straat, raakten geregeld de weg kwijt, begonnen lukraak om zich heen te steken, en als iemand ze berispte, dreigden ze met hun angel. Sommigen plunderden en roofden zelfs andere nestjes. Het is ‘De fabel van de bijen’ van Mandeville ten voeten uit.

Intussen kregen de inheemse volken goed tabak van ze en het liefst wilden ze ze uitroken. Want hoewel hun honing lekker en exotisch smaakte, en hoewel men wist dat de bijen verantwoordelijk zijn voor zo’n 4000 fruit- en groenterassen in heel Europa en dat zonder hen de Albert Cuypmarkt en de Dirk van den Broek een akelige leegte zouden ademen – begon men vraagtekens te zetten bij de aanwezigheid van dit volk. Men vroeg zich hardop af of het uitzwermen naar dit land wel zo’n goed idee was geweest.

Er begonnen zich antivolkjes te roeren. Hele hordes apis mellifera mellifera (de Europese honingbij) stonden op en riepen: genoeg is genoeg! Ze vonden de kleuren van de uitheemse bijen ineens niet meer mooi, hun maniertjes akelig, hun gezoem bespottelijk en hun angel levensbedreigend. Ze wilden dat alle Afrikaanse boevenbijtjes, nee, álle Afrikaanse bijtjes, terugkeerden naar de bloemenvelden op de heuvels achter de horizon, ver voorbij de zee.

Echter, in al het schuimbekken en wapengekletter zagen de bijenvolken iets ontzaglijks over het hoofd, namelijk dat ze állen worden bedreigd worden door een drama van een heel andere orde: Colony Collapse Disorder. Een even mondiale als mysterieuze massasterfte die zowel de Europese, als de Afrikaanse als de Aziatische bij grondig plaagt. Een sterftedrama waarop nochtans geen antwoord is gevonden. De financiële crisis die ons vandaag teistert is een lachertje vergeleken bij de crisis die het uitsterven van de bij zou veroorzaken.

‘Sterft de bij, dan volgt de mens vijf jaar later’, zei Einstein. Hij had ook kunnen zeggen: ‘Sterft de moer, stort alles in.’

Mijn verhaal gaat over een moer. Gedurende de hele tijd dat mijn moeder wakker was, was zij gebogen over de aarde, wroette in de aarde, kuste de aarde, was ze dankbaar voor het schamele wat de aarde haar schonk, eerst in Marokko, toen in Algerije, ten slotte in Zwijndrecht. Het is deze aarde waaruit ze kwam en die zich straks opent om haar in zijn schoot te laten zakken, een lange, waardige maar volstrekt anonieme geschiedenis achter zich latend.

We hebben juist de verkiezingen achter de rug. Het regent analyses. Waarom schiep Geert Wilders zijn eigen Waterloo?

Door het noodlot van mijn moeder drong de fictie zich door in mijn bestaan. Ik werd binnengezogen in een wereld van case-managers en bureaucratie waarvan ik het bestaan nooit had bevroed. Het universum van de rollator en de sondevoeding. Het inferno van bacillen en ziektekiemen. Een duizelingwekkend labyrint van regels, indicaties en targets waartussen de dood als een grijnzend spook waarde. Intussen werd mij gewaar hoe in al het gekrakeel over het multicultureel samenleven iets anders was ondergesneeuwd: multicultureel samensterven. Terwijl we ons blind staarden op hoofddoekjes en etterbakjes, zagen we niet dat we aan de vooravond staan van een groot tragedie; migrantenmoeders en -vaders die binnen nu en tien jaar massaal zullen rammelen aan de poorten van de zorg – en niemand die gastvrij open kan doen.