Liever kleurenziend dan kleurenblind

Het maakt wél uit waar je vandaan komt. Over racisme zijn we niet uitgepraat, betoogt Saul van Stapele.

‘Het gaat niet om kleur’, hoor je vaak in Nederland. ‘Kleur is niet belangrijk’. De mensen die dat zeggen, hebben doorgaans een witte huid. Ik heb nooit iemand met een donkere huid horen zeggen dat kleur niet belangrijk is. Dat is niet zo gek, want iemand met donkere huid weet tenslotte wel beter.

‘Het gaat niet om kleur’ is populair als moreel verheven argument in discussies over de representatie van de bevolkingsgroepen die samen Nederland vormen. Zodra iemand bijvoorbeeld de vraag oproept waarom de Nederlandse media, politiek, wetenschap en kunsten zo blank zijn. Blanke Nederlanders reageren op dergelijke discussies vaak korzelig, of zelfs ronduit woedend. Alsof de vraag oproepen op zichzelf een frontale aanval is.

‘Het gaat niet om kleur’ komt ook terug in columns van blanke opinieleiders die stellen dat kleurenblindheid de hoogste vorm van Goed Gedrag is. Kijk, ik zie niet eens dat u zwart bent! Of een Chinees! Maar zo is het natuurlijk niet, hè. Kleur draag je op je huid, iedereen ziet dat. Doen alsof dat niet zo is, is een te eenvoudige, zelfs kwalijke uitvlucht die identiteiten en verhoudingen ontkent.

Ik ben liever bewust kleurenziend dan kleurenblind. En wanneer ik zo om me heen kijk, zie ik te weinig kleur.

Als journalist werkte ik jarenlang op redacties waar pas na vijven een beetje kleur op de werkvloer kwam, wanneer daartoe ingehuurde Nederlanders-met-zwart-haar de asbakken kwamen legen. Ik schrijf vooral veel over zwarte muziek, wat, ondanks de evidente hoofdrol van zwarte muziek in de popgeschiedenis, als een zeer specialistische niche binnen de popverslaggeving wordt gezien.

Variaties op de regel

Ik doe dit werk bijna twee decennia en hoor al net zolang dat verreweg de meeste van mijn onderwerpen – zeg een exclusief interview met Jay Z – niet op de cover van een tijdschrift kunnen „omdat negers niet verkopen”. Dit is een hardnekkig rondgebazuinde vuistregel in Nederland Medialand: zet geen donkere personen op de voorkant, want dat is vragen om kelderende verkoopcijfers.

Variaties op deze regel zijn: negers kopen geen tijdschriften, negers kopen geen boeken, negers kopen geen cd’s, negers kopen geen concertkaartjes (en als ze dat wel doen, moeten we dan geen wapendetectiepoortjes plaatsen?). Met negers wordt iedereen bedoeld die niet blank is, en dan met name de jonge mannen.

Hier en daar ben ik ingezet voor een filminterview. Ik interviewde Samuel L. Jackson twee keer, Will Smith en Janet Jackson over hun acteerprestaties, en David Simon over zijn tv-serie The Wire, waarin veel prominente karakters zwart zijn. Logisch, ik zit in het bakje ‘zwarte onderwerpen’.

Ik zou natuurlijk ook Jack Nicholson, Kevin Spacey, Jeff Bridges en de schrijver van Breaking Bad met liefde interviewen, maar dat is niet mijn ‘niche’. Nou heb ik mijn niche goeddeels zelf uitgekozen – ik beschrijf onderwerpen waar ik door geboeid ben – maar dat geldt natuurlijk niet voor mensen bij wie de ‘niche’ al sinds geboorte op hun huid gestempeld is.

Schrijfster Toni Morrison zegt het mooi in een tv-interview, na de vraag of ze ook boeken zou kunnen schrijven die niet volledig om ras draaien. Met ‘ras’ bedoelt de interviewer: zwarte mensen. Morrison vraagt daarop waarom niemand grote blanke schrijvers vraagt wanneer ze over zwarten gaan schrijven. Ze weet het antwoord ook. Blank is de norm. Een film met overwegend zwarte acteurs is een ‘zwarte film’. Een film met overwegend witte acteurs is, nou ja, gewoon, een film.

‘Het’ gaat voortdurend en overal om kleur. ‘Het’ mag pas niet over kleur gaan, zodra er kritiek is op blanke oververtegenwoordiging in onder meer politiek, media en kunsten. De regelmatig agressief geuite afkeer van debatten over kleur-gerelateerde onderwerpen (van Zwarte Piet tot slavernijgeschiedenis, en van racisme op de werkvloer tot representatie in de media) ontstaat pas wanneer debatten de status quo ter discussie stellen.

De hond van Janmaat

Ik ben opgegroeid en woon in Den Haag, waar vorige week door een kroeg vol PVV-stemvee gescandeerd werd dat ze ‘minder Marokkanen’ willen. Beroepspopulist Henk Bres was een van de schreeuw-Hagenezen, en schrok ervan dat hij later voor ‘NSB’er’ werd uitgemaakt. Ik kan me dat wel voorstellen. In Den Haag krijg je het gekanker op Marokkanen er standaard bij wanneer je een brood koopt en Bres is door heel Hilversum op een schild gehesen omdat hij zo lekker authentiek de Hagenees uithangt. Bres deed gewoon zijn werk.

Toen ik een kleine jongen was, woonde ik bij Janmaat in de straat. Janmaat, dat was De Man Van De Mensenhaat, dat wisten we allemaal. Dus wanneer Janmaat en zijn door een terroristische aanslag verminkte echtgenote in de slagerij een stukje worst kochten, stonden alle mensen uit de buurt demonstratief aan de andere kant van de winkel. Voor mij als puber was het soms lastig, want mijn hond (wit) en de hond van Janmaat (zwart) konden altijd goed met elkaar opschieten.

Ik zat hier in Den Haag op zowel witte als zwarte scholen (vooral witte), en woonde in zowel witte als zwarte wijken (vooral witte). In de witte buurt waar de slagerij zat, was het lekker eenvoudig voor de welgestelde mensen zich tegen Janmaat af te zetten. Je hoefde alleen maar aan de andere kant van de winkel te staan. Net zoals je nu alleen maar – en dat kan zelfs via internet! – aangifte hoefde te doen tegen Wilders om aan de correcte kant van de geschiedenis te belanden.

Eén avond voordat het ‘minder, minder’ in Den Haag losbarstte, ging een voltallige discussietafel op nationale tv in een microseconde moeiteloos over van ‘de helft van de inwoners in grote steden is allochtoon’ naar ‘Marokkaanse jongens zijn nou eenmaal oververtegenwoordigd in de criminele statistieken’. Alsof dat allemaal hetzelfde is. Niemand riep: ‘Huh, gaat het nu ineens over Marokkanen?’ Natuurlijk niet.

Het gaat altijd over Marokkanen. Waarvan we er dus ‘minder willen’.

Door mijn jeugd in een grote stad ken ik Nederland niet anders dan multicultureel en wanneer politici en andere opinieleiders zeggen op te komen voor ‘onze’ normen en waarden, zie ik bepaald geen blanke normen en waarden voor me. Ik denk soms aan de zwartwitbeelden bij Andere Tijden, maar ik ken dat land niet waarin je geen kleuren ziet.

Bewust en schadelijk naïef

Ik ken wel het land waarin huidskleur te vaak ook een sticker is, een hokje waar je nauwelijks uit kruipt. Iedereen die meent dat, na de jarenlange oorlogsvoering versus ‘Marokkanen’ door het politieke en journalistieke establishment, Nederlandse jongens met een Marokkaanse achtergrond dezelfde kansen hebben als andere Nederlanders (‘Hier in Nederland heeft iedereen dezelfde kansen’), is bewust en schadelijk naïef.

Ik heb vrienden die buiten Nederland carrière zijn gaan maken, omdat ze op Nederlandse werkvloeren steeds voelden dat ze, hoe goed ze hun werk ook deden, toch vooral ‘negers’ waren (met de bijbehorende joviale grappen-die-toch-moeten-kunnen-joh-mijn-buurman-is-ook-een-Turk).

Ik heb een minister-president met zo weinig empathie voor de gevoelens van zijn niet-blanke burgers, dat hij grappen maakt over Antillianen die zich niet hoeven te schminken met Sinterklaas. Ik leef in een land waar de politiek inmiddels van links tot rechts onderscheid wil maken tussen eerste- en tweederangsburgers, of het nu gaat om Marokkanen (‘nee, criminéle Marokkanen’), Antillianen (‘nee, criminéle Antillianen’) of Oost-Europeanen (‘ja, alle Oost-Europeanen’).

Het gaat om ons

Het wordt van links tot rechts meer en meer de politieke realiteit. Je hebt Nederlanders. En je hebt Marokkanen, Oost-Europeanen, Antillianen, mensen die soms liever iets anders spreken dan Nederlands, moslims, illegalen, vluchtelingen, mensen die in een ander land zijn geboren (of hun ouder, of hun grootouder) en ander zuipend, stelend en stinkend ongedierte: gevaarlijke vreemdelingen die niet zijn opgevoed met een knus en onschuldig slavernijfeest en gezellig schaatsen voor dictators.

Het is essentieel dat na een lange periode van politiek-incorrecte verstikking weer wat ruimte is gekomen voor het racismedebat in Nederland. Dat debat gaat niet om gratuit wijzen naar een politicus in slagerij of kroeg, of een statistiek waar niemand zich ooit echt in heeft verdiept (‘maar-iedereen-weet-dat-Marokkanen…’).

Nee, het gaat om ons. Het gaat om kleur, en de langzaam verdwijnende schaamte toe te geven dat het voor de Nederlandse samenleving vrijwel op alle niveaus wel degelijk van belang is waar jij – of je ouder, of je grootouder – vandaan komt.

    • Saul van Stapele