Kunstenaars in dienst verveelden zich te pletter

Nederland riep in de Eerste Wereldoorlog ook kunstenaars op voor de dienstplicht. Verloren tijd, dus hoe raak je afgekeurd? Uiteindelijk voer de kunst er wel bij.

Theo van Doesburg (l.) en naast hem, met fiets,Evert Rinsema, 1914 Uit K. Schippers: Holland Dada, Querido

Op 1 augustus 1914 mobiliseert Nederland, om zowel Duitsland als Engeland duidelijk te maken dat het zijn neutraliteit desnoods met geweld zal verdedigen. In drie dagen tijd groeit het leger van 59.000 tot 200.000 man, van wie velen langs de Duitse en Belgische grens worden gelegerd. De mobilisatie komt net op tijd, want op 4 augustus valt Duitsland België binnen. Vier jaar lang houdt Nederland een leger op de been, dat nooit in actie hoeft te komen.

Onder de opgeroepen militairen is ook een aantal kunstenaars dat huis, haard en atelier moet verlaten. De bekendste onder hen is Theo van Doesburg. K. Schippers beschrijft in zijn boek Holland Dada (1974) hoe Van Doesburg, gelegerd in Brabant, daar een eveneens gemobiliseerde Friese schoenmaker ontmoet, die toen nog niet kon bevroeden dat hij in de kunst verzeild zou raken.

Een speurtocht in bibliotheken en op internet levert nog een handjevol andere bekende kunstenaarsnamen op. Zanger Lou Bandy dient bij de marine. Schilder-tekenaar Anton Pieck is sergeant in de Haagse Oranje kazerne. Schrijver Chris van Abkoude (Kruimeltje) is zeer tegen zijn zin korporaal bij de landmacht. En schilder Paul Citroen dient in 1915 weliswaar in Alkmaar, maar het lukt hem al snel om afgekeurd te worden.

De socialistische schrijver A.M. de Jong (1888-1943, bekend van de streekroman Merijntje Gijzen) geeft een goed beeld van hoe het was om te dienen in een leger dat gebrek had aan alles, van schoenen en kleding tot wapens – er was alleen tijd in overvloed. In zijn columns in de krant Het Volk beschrijft De Jong in 1917 en 1918 hoe de dienstplichtigen eruit zien als een zooitje ongeregeld, hoe ze zich stierlijk vervelen en hoe ze zich ergeren aan zinloos poetsen, exercities en arrogante officieren.

Parijs

In 1907 krijgt schilder Otto van Rees (1882-1965) zijn eerste instructies als dienstplichtig soldaat. Irène Lesparre beschrijft in Otto van Rees (2005) hoe hij dan al een echt artiestenleven achter de rug heeft. Gesteund door zijn vooruitstrevende ouders heeft Van Rees al jong leren tekenen en schilderen. Hij krijgt les van Jan Toorop die hem in 1904 aanraadt in Parijs aansluiting te zoeken bij de avant garde. Picasso helpt hem aan een atelier in het legendarische Bateau Lavoir in Montmartre. En tijdens schilderlessen aan de academie van Eugène Carrière, waar eerder Matisse en Derain studeerden, raakt hij bevriend met Georges Braque.

Kees van Dongen en waarschijnlijk ook Picasso logeren bij Van Rees en zijn vriendin in hun zomerhuisje in Fleury bij Barbizon. Van Rees is weliswaar zijn levenlang omgegaan met kunstenaars van naam, hij heeft later ook overal in Europa geëxposeerd, maar is niet echt doorgebroken.

Op 1 augustus 1914 mobiliseert Nederland en Otto van Rees vertrekt uit Fleury naar het vaderland. Dienst weigeren, zoals zijn vader, hoogleraar biologie Jacob van Rees, wil – hij schreef in 1915 het Manifest der Dienstweigeraars en kreeg daarvoor samen met Henriëtte Roland Holst tien dagen gevangenisstraf – durft hij niet. Volgens Lesparre is hij bang dat zijn vrouw en twee kinderen dan problemen krijgen.

Van Rees dient in het 7de regiment infanterie in Baarle-Nassau. ‘Hij zag er in die tijd in de bijeengeraapte uniformstukken waarmee men hem uitgedoscht had, allerzonderlingst en ietwat zielig uit’, schrijft zijn vriend Pieter van der Meer de Walcheren. ‘Hij leek meer op een hospitaalsoldaat uit de Napoleontische tijd dan op een strijdlustige Nederlandse jongen!’

Van Rees doet wat velen voor en na hem deden om uit de dienst te raken, hij simuleert zware hoofdpijnen. In het ziekenhuis doet hij op verzoek van zijn superieuren mee aan een expositie – onderdeel van het programma Ontspanning en Ontwikkeling dat leegloop en verveling in het leger moet bestrijden. Van zilverpapier en lege sigarettenpakjes maakt Van Rees een kubistische collage van een danseres. Zijn legerartsen weten op dat moment zeker dat hij niet goed bij zijn hoofd is.

Op 22 maart 1915 schrijft hij zijn vrouw Adya die uit Frankrijk naar het neutrale Zwitserland is uitgeweken: ‘O, mij liefste. Er is vrijheid voor me. Ik reis door de velden op dit oogenblik door ons geliefde Walcheren (Vlissingen). Ik moet hier nog eenmaal zijn (tot morgen) en dan gaat dan het dwangbuis uit. Dan slechts wachten op de papieren.’

Na de zomer vertrekt hij naar Zwitserland waar hij wordt opgenomen in een groep van internationale kunstenaars die de oorlog daar heeft samengebracht, onder wie Hans Arp, Hugo Ball en Tristan Tzara. Die toevalligheid zorgt ervoor dat Otto van Rees een jaar later de Nederlandse eer zal hooghouden in de revolutionaire kunststroming Dada die in 1916 in Zürich wordt opgericht. Maar een propagandist van deze stroming zal Van Rees nooit worden.

Drachten

Dat is wél het geval met zijn medemilitair Theo van Doesburg (1883-1931). Van Doesburg dient op de Regte Heide aan de Belgische grens in Noord-Brabant, niet ver van Tilburg, als facteur, postbode. Er is een foto waarop hij met een paar maten poseert. Eén van zijn dienstmakkers is schoenmaker Evert Rinsema (1880-1958) uit Drachten. Van Doesburg kan het meteen goed vinden met de bedachtzame Fries, die hij Socrates ziet lezen en die tot zijn verrassing behoorlijk thuis blijkt te zijn in de filosofie. Een briefje uit augustus 1915, door Van Doesburg ondertekend met zijn echte naam Emile Küpper, zegt veel over hun verhouding. ‘Waarde vriend. Ik heb met veel enthousiasme je denkarbeid in aphorismen gelezen. [...] Je werk bezit de eigenschappen van den waarachtigen spontanen Denker, dus tegelijk van den natuurlijken mensch. Het leven zit erin!’ In gesprekken met onder anderen Rinsema ontwikkelt Van Doesburg ideeën die in 1917 leiden tot de oprichting van het internationale tijdschrift De Stijl.

Op de belangrijkste twee Nederlandse kunstenaars heeft de dienstplicht weinig invloed gehad. Van Rees was vóór die tijd al aardig op dreef en Van Doesburg zou snel in de kunstwereld van zich laten horen. Beiden kenden geen nationale grenzen, ze raakten even nauw verbonden met Franse en Duitse kunstenaars als met Oost-Europese collega’s.

Wie wél door zijn mobilisatie voor het leven verandert is Evert Rinsema. Hij blijft corresponderen met Van Doesburg tot diens dood in 1931. Moderne kunstenaars, onder wie Kurt Schwitters, bezoeken hem in zijnschoenmakerij. En in Drachten wordt dankzij Rinsema’s contacten in 1923 in hotel de Phoenix een echte Dada-avond gehouden. Zo krijgt Drachten dankzij de Eerste Wereldoorlog een plekje op de culturele kaart van Europa.

    • Dirk Limburg