Keren tijden van Sjoukje ooit weer?

Bij de WK in Japan is Nederland niet vertegenwoordigd; maar de schaatsbond werkt aan een herstelplan

De WK kunstrijden worden deze week gehouden in Japan. Wederom ontbreekt Nederland. De teloorgang van een sport waarin ‘we’ ooit goed waren?

Niemand hoeft Karen Venhuizen te vertellen wat er mis is met het Nederlandse kunstrijden. De negenvoudige nationale kampioene heeft het persoonlijk ervaren – „ik moest als rijdster veel zelf uitzoeken.” In haar huidige functie als disciplinemanager kunstrijden van de schaatsbond (KNSB) is Venhuizen bezig met herstelwerkzaamheden. Om 50 jaar na de grote successen van Sjoukje Dijkstra het gat met de wereldtop te dichten. Alleen, dat vergt tijd, veel tijd. Evenals veel geduld en veel geld.

Is het daarmee een onmogelijke opdracht geworden? Venhuizen weigert dat te geloven, al weet ze aan a hell of a job te zijn begonnen. Want het mankeerde vooral aan structuur bij het kunstrijden, leerde twee jaar terug een grondige analyse van een werkgroep binnen de KNSB. Venhuizen: „Het was een dusdanige ‘rotzooi’ , dat het verleidelijk was topsport te negeren. Daar hebben we niet voor gekozen. We concludeerden: topsport is mogelijk, maar dan moet er veel veranderen.”

Wat er zoals mis was? Bestuurscrises bij verenigingen. Onvolledige besturen; vaak bestaande uit één persoon. Bestuursleden die alleen het belang van hun kind zagen. Geen overdracht van het wedstrijdsecretariaat, waardoor kinderen niet voor wedstrijden werden ingeschreven. Baanhuur was hoog. En(te) dure trainers die hardnekkig hun eigen weg kozen. In zo’n chaos konden talenten zich onmogelijk ontplooien.

Voor een ingrijpende hervorming besloot de KNSB de lijn van sportkoepel NOC*NSF te volgen. Dat betekent: één nationaal trainingscentrum met daaronder regionale talentencentra, de zogeheten RTC’s. Direct overgaan op die compositie zou te rigoureus zijn zo lang de clubs hun zaken niet op orde hebben Dus besloot de schaatsbond als eerste stap de 28 verenigingen te versterken. „Zonder fundament geen topsport”, verduidelijkt Venhuizen.

Met workshops en bijeenkomsten om kennis te delen poogt de KNSB de patiënten gezond te maken. „Wij hebben ook geen panklare oplossingen. Maar langzaam gaan de verenigingsmensen inzien dat het anders moet. Vooral in Dordrecht en Den Bosch gaat het goed. En in Heerenveen en Groningen zien we veranderingen. Die clubs zijn de pijlers waarop we verder bouwen. Volgend jaar gaat de bond speciale clubs voor talentontwikkeling aanwijzen. Venhuizen: „Jonge, ambitieuze kunstrijdsters moeten voor hun pubertijd drievoudige sprongen kunnen uitvoeren, anders is de top onhaalbaar. Die basis moet bij de clubs gelegd worden.”

In afwachting van een nationaal schaatscentrum in Almere, Heerenveen of Zoetermeer heeft de KNSB Groningen en Haarlem als RTC aangewezen. Voorlopig voor langebaanschaatsen, inline-skaten en shorttrack, niet voor kunstrijden. „Daar hebben we op die locaties nog niet de talenten voor”, verklaart Venhuizen. Het bondsprogramma voor kunstrijden is gericht op de lange termijn. Venhuizen: „We willen uiterlijk op de Winterspelen van 2022 vertegenwoordigd zijn.” Om te voorkomen dat supertalenten nu aan hun lot worden overgelaten, biedt de KNSB hun individueel steun. Venhuizen: „We moeten ons niet blindstaren op de toekomst, terwijl er ook nu rijdsters potentie hebben.”

Gelukkig voor de bond helpt de Stichting Kunstrijden Nederland (SKN) een handje door de beste Nederlandse kunstrijders en -rijdsters trainingskampen onder leiding van hoogwaardige buitenlandse trainsters en choreografen aan te bieden of grote talenten financieel te steunen. Alleen, de relatie tussen de KNSB en SKN verloopt op z’n zachts gezegd stroef. SKN is vooral uit onvrede met de KNSB bij voormalig bondsbestuurslid Joan Haanappel en haar vriendin Sjoukje Dijkstra tot stand gekomen. Hoewel beide oud-rijdsters weinig op hebben met de bond, werken KNSB en SKN wel voorzichtig samen. Het is de bedoeling dat contact te intensiveren, vertelt Venhuizen.

Wat de financiering betreft probeert de KNSB waar mogelijk geld vrij te maken. Maar dat is moeilijk met een jaarbudget voor kunstrijden van zo’n half miljoen euro, waarvan het geld grotendeels ‘gelabeld’ is, zegt de disciplinemanager. Is daarmee het kunstrijden een ondergeschoven kindje van het langebaanschaatsen, zoals wel wordt beweerd? Venhuizen: ,,Ab-so-luut niet. Dat kan de KNSB ten opzichte van de ISU [internationale schaatsunie, red] niet verkopen, want kunstrijden is daar wel de grootste discipline. Daar moet de KNSB iets mee. Nederland is een schaatsland. En daar hoort het kunstrijden bij.”

    • Henk Stouwdam