Je lesje afdraaien is niet meer genoeg

De onderwijsinspectie krijgt een actieve rol in de kwaliteitsverbetering van scholen. De norm wordt: goed.

Watertrappende scholen worden ze genoemd. Het zijn scholen waarvan de kwaliteit nét voldoende is. Soms dreigen ze kopje onder te gaan, maar dan gaat het weer even ietsje beter en is het noodlot afgewend. Zolang de onderwijsinspectie zo’n school niet officieel als ‘zwak’ of ‘zeer zwak’ bestempelt, is bijsturen niet mogelijk.

Daar wil staatssecretaris Sander Dekker (Onderwijs, VVD) verandering in brengen. Vandaag stuurt hij samen met minister Bussemaker (Onderwijs, PvdA) een brief naar de Tweede Kamer waarin hij een grondige hervorming van het toezicht op het onderwijs aankondigt. De onderwijsinspectie, die er nu nog alleen voor zorgt dat een school niet onder een minimumniveau wegzakt, gaat vanaf 2016 ook inzichtelijk maken waar kansen liggen voor scholen om hun kwaliteit te verbeteren. „De inspectie is straks niet meer alleen een politieman.”

Van de scholen in het basisonderwijs is op dit moment 2 procent zwak of zeer zwak. Dekker: „Van de overige 98 procent weten we alleen dat ze de basis op orde hebben. Maar binnen die groep van duizenden scholen zitten grote verschillen. De ene school haalt met de hakken over de sloot een voldoende, de ander is op een haar na excellent. Dat willen we zichtbaar maken. Daarom gaat de inspectie de kwalificaties ‘voldoende’, ‘goed’ en ‘excellent’ uitdelen.”

Wat Dekker betreft is ‘goed’ de norm. „Een school moet geen genoegen nemen met een voldoende. Als je jarenlang net niet door het ijs zakt, dan krijg je daar wat van te horen. We moeten niet achterover leunen. Het gaat wel om onze kinderen, die gaan maar één keer naar school.”

Dat goed de norm wordt, wil niet zeggen dat straks meer dan de helft van de Nederlandse scholen dat label heeft, benadrukt Dekker. „We willen de eisen zo stellen dat er een evenwichtige verdeling komt tussen de drie categorieën. Daarom moeten we goed kijken op welke hoogte we de lat leggen. Dat geldt ook voor het minimumniveau. Nu we de afgelopen jaren zoveel zwakke scholen hebben weggewerkt, is het tijd om ook aan de onderkant strengere eisen te gaan stellen.”

Menig schooldirecteur zal zuchten van de plannen van het kabinet. Nu gaat de inspectie zich ook met zijn school bemoeien als hij zijn zaken op orde heeft. Van een toenemende regeldruk wil Dekker echter niks weten. „We bieden scholen een lonkend perspectief. Wie wordt beoordeeld als goed of excellent, krijgt de inspectie straks niet eens per vier jaar, maar eens per zes jaar op bezoek. Een school die heeft aangetoond vertrouwen te verdienen, krijgt dat ook.”

Volgens Dekker wordt er op veel scholen al nagedacht over het verbeteren van de kwaliteit. „Het is gelukkig steeds minder het riedeltje: we krijgen iedere dag de kinderen binnen, we draaien onze lessen af en als er niemand klaagt, zal het wel goed zijn. We zien dat goede leraren elkaar aanspreken over hoe het beter kan.”

De komende twee jaar worden proeven gehouden in basis- en voortgezet onderwijs. De inspectie gaat samen met schoolleiders en docenten kijken waar de grens tussen de verschillende categorieën komt te liggen, en welke criteria moeten worden gehanteerd. Het gaat daarbij niet alleen om de scores van de Citotoets, haast Dekker zich te zeggen. „We gaan ook kijken naar de aanpak van pesten, en naar hoe leerlingen presteren bij hun vervolgopleiding. Ook zijn we benieuwd naar de tevredenheid van ouders, leerlingen en leraren.”

Is dit plan van het kabinet geen voorbeeld van de zogenoemde afrekencultuur waarover mensen in het onderwijs klagen? Dekker, geprikkeld: „Er wordt de laatste tijd veel gesproken over afrekencultuur en dat zet de verhoudingen onnodig op scherp. Het doet geen recht aan de manier waarop de onderwijsinspectie werkt. Er is geen school in Nederland die ook maar een euro minder krijgt op basis van de resultaten van de eindtoets.”

    • Bart Funnekotter