Hokjes

We mochten op ministoeltjes achterin de klas plaatsnemen. De les zou ‘gewoon’ doorgaan, zodat wij, ouders op zoek naar een basisschool voor ons kroost, een impressie zouden krijgen van deze school. De juf las in de kring Kikker is bang voor, de kleuters staarden ons aan. Na afloop kwam er een jongetje naar me toe om me erop te wijzen dat ik op zijn plek zat. Ik excuseerde me en schoof op. „Kom jij uit een ander land?”, vroeg hij ineens.

Ik keek even om me heen om te zien of hij het wel tegen mij had. „Hoezo?”, vroeg ik.

„Nou je haar en alles.” De kleuter plukte aan zijn eigen gouden lokken.

„Ehm nee”, antwoordde ik en ik wilde al omstandig gaan uitleggen waar zijn verwarring mogelijk op gebaseerd was, maar hij was alweer verdwenen.

Het was lang geleden dat iemand me zoiets vroeg. Ik vroeg me af of dit voorval iets zei over het huidige klimaat, over deze school, over Amsterdam-Zuid, of over zijn opvoeding. Of natuurlijk over mijn haar. Echt lang stond ik er niet bij stil. Totdat mijn oog deze week viel op twee campagnes die te maken hebben met vooroordelen op basis van uiterlijk. Bij online ‘game’ De Hokjestest.nl – ‘mede mogelijk gemaakt door de gemeente Amsterdam’ – krijg je foto’s van mensen te zien waarbij je moet invullen of bepaalde stellingen zoals ‘Ik ben gelovig’ of ‘ik ben altijd op tijd’, volgens jou voor deze persoon wel of niet gelden. Aan het einde zie je hoe vaak je ernaast zit. Bij #ookikbenNederlands, ook online, zie je foto’s van Nederlanders met een andere achtergrond die bordjes ophouden met uitspraken waar zij tot hun ongenoegen wel eens mee te maken krijgen. Dat varieert van walgelijke opmerkingen als: ‘Je bent best slim voor een Afrikaan’ tot vragen als: ‘Waar kom jij eigenlijk vandaan?’

Die vraag heb ik, vooral vroeger, ook regelmatig gehad. En als ik dan „Amsterdam” zei (of „Amsterdam-Zuid”, want soms sloeg die vraag op mijn bekakte accent – ook een vorm van hokjesdenken) volgde meestal: „Nee, maar waar echt?” Uiteindelijk vertelde ik dan dat mijn opa Indisch was. Ik heb dat gevraag nooit erg gevonden. Die uitleg hoorde bij mij. Sterker nog, ik heb het feit dat ik nog méér dan Nederlands was in een stad waar al eeuwenlang meer huidskleuren rondlopen dan er duiven op de Dam zijn zelfs als een bevestiging van mijn Amsterdammerschap gevoeld. De vraag „Waar kom je vandaan?” is haast inherent aan het Amsterdamse burgerschap.

Vandaar dat ik nogal opkeek toen een winkelier in de Kalverstraat vroeg of mijn moeder en ik „lekker een dagje Amsterdam aan het doen” waren. Pardon? Het kan me niet schelen als je denkt dat ik Chinees, Marokkaan, Koreaan of Belg ben, maar me aanzien voor niet-Amsterdammer… er zijn grenzen. Ik verliet de winkel. Mijn (blonde) moeder kwam achter me aan: „Wat stel je je nou aan? Je bént toch ook half-provinciaal?” Mijn moeder is heel goed in dingen nog erger maken.

„Bedoel je Indisch?”

„Nee, ja, via je vaders kant ja. Die opa was half Indisch trouwens, niet helemaal. Maar mijn vader, die je helaas nooit gekend hebt, was een volbloed Brabander. Uit Boxtel. Je bent eigenlijk veel Brabantser dan Indisch. Grappig hè?”

Eerlijk zeggen – toen u naar de foto hierboven keek: zag u dat toen al aan me?