Het is absurdisme, maar absurdisme met een kwade kant

We deden niet mee! Trauma is een groot woord, maar geschokt was ik wel toen ik rond mijn achtste begreep dat Nederland neutraal was geweest in de Eerste Wereldoorlog. Neutraal? In een Wereldoorlog? Het voelde alsof we het WK voetbal hadden gemist. Nu miste Nederland in die jaren nogal wat wereldkampioenschappen (waar België zich wel voor kwalificeerde), maar toch. De Grote Oorlog was in Nederland lang een buitenlandse oorlog. Een die je tegenkwam op vakantie. Vooral in Frankrijk, waar de herinnering over het land is uitgestrooid als duizend dorpse oorlogsmonumenten, waarop de dode jongens zo netjes per familienaam zijn gerangschikt dat je denkt dat ze alfabetisch uit hun loopgraven zijn geknald.

Inmiddels gaat er zelfs in de Noordelijke Nederlanden commerciële kracht uit van La Grande Guerre: vorige week stonden er twee Eerste-Wereldoorlogsromans bij de beste tien verkopende boeken, en dan moest de nieuwe Erwin Mortier nog komen. Daarbij komen tientallen non-fictieboeken – vaak vertaald, want het blijft een beetje een buitenlandse oorlog. Een selectie staat in deze speciale bijlage, net als toneel, muziek en andere kunst die op de een of andere manier in de loopgraven wortelt.

Want nu, na 100 jaar, wordt er op volle kracht herdacht. In 1968 was dat anders. Vijftig jaar na het eind van de oorlog verscheen Em. Kummers vertaling van Célines Voyage au bout de la nuit, maar uitgever Van Oorschot wijdde op de achterflap geen woord aan het jubileum.

Binnenin komt de oorlog tot leven – en hoe. Van het moment waarop Bardamu achter de meute aanloopt en de vijand aanschouwt in al zijn onbenulligheid: ‘Heel in de verte op de weg, zover als we konden zien, waren twee zwarte stipjes, er midden op, net als wij, maar dat waren twee Duitsers, die al een kwartier druk aan het schieten waren.’ Het absurdisme spat ervan af, maar het is absurdisme met een kwade kant. De Duitsers schieten raak: ‘De buik van de kolonel was opengereten, z’n gezicht was afschuwelijk vertrokken. ’t Had hem beslist pijn gedaan, toen het gebeurde.’ De oorlog is slechts het begin van de Reis, zoals de Reis ook maar het begin van Céline is. (Waarna in hem een antisemiet bleek te schuilen, zoals een cartoon in mijn progressieve geschiedenisboek Hitler tevoorschijn liet kruipen uit het Verdrag van Versailles.)

Aan de overkant, waar die twee Duitse stipjes stonden te schieten, maakte een Oostenrijkse soldaat, geboren in 1889, aantekeningen voor het boek dat hij na de oorlog zou publiceren. In zijn Tractatus logico-philosphicus probeerde Ludwig Wittgenstein de wereld te vatten in stellingen, waarvan sommige de acute schoonheid van grote poëzie hebben. Nummer 1.21: ‘Iets kan het geval zijn of niet het geval zijn en de rest kan hetzelfde blijven.’ Het is logica, maar ergens klinkt dezelfde zinloosheid als in de woorden van Céline.

En de wereld was nooit meer hetzelfde.