Het enig verlangen: begeerd worden

Na Godenslaap is er opnieuw een roman, een lichaamsroman dit keer, over de Eerste Wereldoorlog. Nu in de vorm van een lange brief, van de ene man aan de andere. Het komt waarachtig tot liefde, maar hoe?

Liefde is een kwestie van iemands hand vasthouden, laat Erwin Mortier zien in de mooie eerste scène van zijn nieuwe roman De spiegelingen: ‘Ik zou het over je hand moeten hebben, die over de bedrand naar mijn vingers reikt terwijl ze in de ruimte tussen jouw bed en het mijne naar houvast graaien wanneer de zusters voor de zoveelste keer het zieke sop uit mijn lijf komen knijpen […] “Stick it, my friend”.’

We bevinden ons in een veldhospitaal aan het eind van de Eerste Wereldoorlog, waar Edgard Demont ligt nadat hij op het nippertje aan de dood is ontsnapt. De rest van zijn leven zal zijn lichaam bedekt zijn met littekens. En Matthew, de oorlogsfotograaf in het bed naast hem, zal de liefde van zijn leven zijn.

Op het eerste gezicht is het verwonderlijk dat Erwin Mortier (1965) zes jaar na Godenslaap opnieuw met een roman over de Eerste Wereldoorlog komt. En De spiegelingen kan met zijn 300 bladzijden moeilijk als een vluggertje worden beschouwd. Al zijn de twee boeken verschillend genoeg. Godenslaap ging tussen de granaatscherven door vooral over het schrijverschap. De spiegelingen is een roman over de liefde – en over de gevolgen van de oorlog. Of, zoals Mortier het de moeder van Edgard laat denken: ‘Ze keek op me neer, met ogen glazig van traanvocht, alsof voor haar deze hele oorlog niet zozeer de helse machinerie was die me bijna had vermalen, als wel een tweede baarmoeder die haar kind voor zich had opgeëist, het opnieuw had uitgebroed en als een vreemde op de wereld gezet.’

Het nieuwe broedsel is ongelukkig, egocentrisch en zinnelijk. Feitelijk is De spiegelingen – de titel verraadt de wederkeer van de patronen – een boek waarin zich veel herhaalt. De vertelling heeft de vorm van een lange brief van Edgard aan Matthew. Tussen de twee is het daadwerkelijk tot liefde gekomen, al trouwt Matthew – een wonder van rust en zorgzaamheid – met Edgards zus. Door die band kunnen de mannen elkaar de rest van hun leven blijven liefhebben, al zullen ze nooit echt met zijn tweeën zijn. Edgard heeft daarnaast een langlopende verhouding met zijn huisbediende Pierre en valt voor een reeks mannen, tegen de achtergrond van de Europese geschiedenis. Zo brengt zijn relatie met een zekere Heinz hem naar het Berlijn van de jaren dertig – de volgende wereldcatastrofe.

Het zijn liefdes waarin de hoofdpersoon vooral op zichzelf betrokken blijft, maar zelden krijg je het idee dat het verlangen van Edgard verder reikt dan de wens om begeerd te worden. Hij is een man die getroost wil worden, niet iemand die kan troosten. De seks zelf is dubbel vergeefs, door de zee van littekens die de oorlog over Edgards lichaam heeft uitgestort: ‘Ik heb je nooit verteld dat ik driekwart van je zoenen niet kan voelen, dat ik me alleen gezoend voel worden. De zoenen zelf, die voel ik niet wanneer je mond mijn littekens bedekt – tenzij in mijn dromen, mijn schaarse dromen.’ Het is een akelig mooie observatie, al is de overbodige toevoeging over de schaarse dromen een vorm van pathos waar de Vlaming zich wel vaker in verliest.

Was Godenslaap een boek over de geest – of dan tenminste over het schrijven – De spiegelingen is een lichaamsroman. Wanneer Edgard gewond in de laadbak van een vrachtwagen wordt afgevoerd, schrijft Mortier: ‘Ik voelde het kluwen dat me omringde, waarmee ik vervlochten was, onder het zeildoek sterven. In de schemering werd ergens een voet koud, een borstkas hield op met inademen. Steeds meer log, dood gewicht schokte op en viel dof neer, tot ik alleen nog de lucht door mijn eigen keelgat hoorde schuren.’ Zo wordt zijn latere verlangen naar levende mannenlichamen een langgerekte reanimatie: ‘Bij ieder lichaam dat zich tegen me aan drukt, ben ik blij dat het nog ademt en warm aanvoelt.’

De vrachtwagenscène is dan ook nog een spiegeling van een van de mooiste momenten uit Godenslaap, waarin Mortier soldaten aan de vooravond van de oorlog in een oud casino kriskras door elkaar liet liggen – dan nog slapend, levend en hoopvol. ‘Her en der lagen soldaten te slapen, alleen of tegen elkaar aan gekropen. Uit hun schoeisel, dat tegen de speeltafels aan lag waarop hun rugzakken rustten, steeg de lucht op van aarde, zomerse aarde, van tentzeil, geolied staal en gras op naar de zoldering met haar frivole stucwerk, dat surreëel boven de slapende gestalten hing.’

Zo heeft Mortier zijn nieuwe oorlogsboek met stevige draden aan het vorige vastgeknoopt, waarbij het perspectief opmerkelijk klein blijft. ‘Ik ben geen man van grote gedachten’, schrijft Edgard, ‘ik ben een man van stegen en donkere hoeken. Open pleinen vermijd ik.’ Dat deelt hij met zijn schepper. De thematische beperktheid van De spiegelingen maakt dat het boek aan de lange kant is: de voornaamste verandering in de reeks lichamen die Mortier ons voorschotelt is die van toenemende ouderdom. ‘He has rivers in his skin, they say, the man with the nose’ krijgt de hoofdpersoon te horen als hij – ná de atoombom – ook nog Japan bezoekt.

Edgard schrijft het zelf soms ook: ‘Ik dwaal af.’ Maar ja, als je iets zou willen schrappen uit deze roman, wat dan? Toch niet de passage over de Londense voorstad ‘waarin de keurigheid uit de erkers knetterde’ of de herinnering aan de ontuchtige leraar Duits: ‘Hij komt voor mijn bank staan, vlak voor mijn ogen het kruis van zijn pantalon, waarachter, zo stel ik me voor, zijn geslacht hangt te beschimmelen als een vleermuis die in haar winterslaap is gestorven.’

Dat ontzielde meestersgeslacht wijst ten overvloede op een belangrijk thema van De spiegelingen: onvruchtbaarheid. Want hoe veel liefde er ook is tussen Edgard en Matthew en hoeveel seks tussen Edgard en de andere jongens, vrucht zal het niet dragen. Hier is geen nieuw begin. Groot is het contrast met de heteroseks van Edgards vader en moeder. Hun ‘hazenslaapjes’ is hij zijn hele leven blijven beschouwen als het centrum van de wereld. Zelf is hij het onvruchtbare broedsel van de grote oorlog: ongelukkig, egocentrisch, zinnelijk – en ten dode opgeschreven.

    • Arjen Fortuin