Geluk zit in een bloeiende berm

De gemeenteverkiezingen zijn voorbij en de lokale kwesties dus ook. In een column van Rob Wijnberg, die zei gemeenteraadsverkiezingen belangrijk te vinden, las ik zo’n volautomatische sneer aan het adres van mensen die zich met hun dagelijkse omgeving bezig houden: er is crisis op de Krim en dan maakt men zich in de gemeente druk over hoe vaak de bermen gemaaid worden. Lekker belangrijk.

Ik maak me daar nog steeds een beetje boos over. De dagelijkse omgeving is geen voetnoot bij het ‘echte’ nieuws. Natuurlijk is het niet van wereldbelang of de bermen zes of twee maal in het jaar gemaaid worden, maar als ze vaak gemaaid worden, groeien ze nooit uit tot weelderige bloeiende, verrukkende stroken langs weg en pad. Dan zijn de mensen minder gelukkig met hun omgeving. En het geluk van de omgeving is niet niets, voor iedereen die een beetje allenig, gedeprimeerd of lusteloos is, is naar buiten gaan en daar dingen zien die je fijn vindt om te zien – het eerste groen van de iepen, een elegante daklijst, zonlicht op het grachtenwater, een fluitende fietser – een van de kleine vreugdes van het bestaan.

Laatst stond in een krant een kort bericht over een doorbraakje in de toepassing van chemokuren bij mensen met kanker in het hals- en mondgebied. Die krijgen nu vaak last van beschadigde speekselklieren en hebben daardoor een heel droge mond. Dat is verbeterd.

Nu ja, denk je. Klein bier. Maar een arts vertelde dat dat een grote verbetering was voor het welzijn van die patiënten: met weinig speeksel kun je slecht praten, slecht eten, slecht slikken. Dan voel je je naar. Het heeft weinig zin zulke dingen tegenover de Krim of Centraal Afrika te zetten. Maar voor het dagelijks leven is het grote nieuws vaak veel te groot, en ook vaak veel te bedrukkend.

In Venezuela worden protesten met geweld gesmoord en is de misdaad alomtegenwoordig. In Iran en Irak is het aantal executies toegenomen. We lezen almaar over organisaties die zo groot zijn en zo ingewikkeld dat ze in feite niet bestuurd worden. Van onderwijsinstellingen tot banken en zorgverlening, niemand weet echt wie de baas is. We weten wel wie er het meest verdient, maar niet wie in staat is iets te veranderen aan de vaak logge met veel te veel managers en slimme constructies en zichzelf genererende technologie doorspekte structuren. Nu wordt ons vlees weer slecht gecontroleerd, de controle is wegbezuinigd en ‘de branche’ (een bedrieglijk begrip dat net doet alsof iemand zou weten wie er aangesproken dient te worden) moet zelf voor de controle zorgen. Ongetwijfeld door geheel en al ‘transparant’ te zijn, het moderne toverwoord. Steeds weer lijkt alles uiteindelijk over geld te gaan en eigenlijk maar zelden over zoiets als een droge mond, een gemaaide berm, een bloeiende boom in het uitzicht. Dat is niet belangrijk. Maar dat zijn juist de allerbelangrijkste dingen.

We moeten het nieuws volgen, zeker, we moeten weten wat er in de wereld aan de hand is, en op hoger niveau daarop reageren. Maar niemand kan zich daar op dagelijkse basis mee bezig houden, want je kunt er allemaal niets aan doen. Behalve stemmen. En dat geeft niet direct het gevoel dat je veel invloed hebt.

Je opwinden over kale bermen, het is niets in vergelijking met de angst van Krimtataren, maar het is dichtbij en met een beetje geluk kun je er iets aan doen.

Waarover spraken vijf mannen op de avond voor hun executie vraagt de dichter Zbigniew Herbert zich af in een gedicht: ,,Over voorspellende dromen/ over avonturen in het bordeel/ auto-onderdelen/ een zeereis/ dat je als je klaver hebt/ niet als eerste moet bieden/ dat wodka het beste is/ want van wijn krijg je koppijn/ over meisjes over vruchten/over het leven”.

Het leven is altijd dichtbij en gewoon.