Een nieuw en meedogenloos mensenslag

De oorlog zette een bloedrode streep onder de negentiende eeuw. Maar lang niet alle schrijvers werden pacifist na de strijd. De illusieloze, mannelijke mens stond op.

Uit ‘1914. Die Avantgarden im Kampf’, Snoeck

In de Eerste Wereldoorlog deed Europa een politieke zelfmoordpoging, in de Tweede Wereldoorlog een morele. Het continent overleefde, maar zijn tegenwoordige positie is zonder beide oorlogen nauwelijks te begrijpen. Niets demonstreert beter hoe slecht de Europeanen in de vorige eeuw hun belangen hebben behartigd dan deze explosies van onderling geweld. En dan is de tweede ook nog eens uitgelokt door de afloop van de eerste. Zonder de draconische vrede van Versailles had Hitler waarschijnlijk geen kans gemaakt – wijsheid achteraf, de enige die de geschiedenis te bieden heeft.

Wie de huidige verwarring vergelijkt met de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, laat zich op sleeptouw nemen door de herdenking van het rampjaar 1914. De geschiedenis herhaalt zich voortdurend, maar nooit op dezelfde manier. Nadenken over het verleden is zinvol om de fantasie te trainen en illusies (bijvoorbeeld dat oorlog een onmogelijkheid zou zijn geworden) te ondermijnen, niet om de toekomst te voorspellen. Pas als het te laat is springen de voortekenen in het oog. Op het moment zelf worden ze onvoldoende naar waarde geschat, omdat er altijd ook zoveel tekenen zijn die een heel andere toekomst lijken aan te kondigen.

Zo bestond er vóór 1914 een aanzienlijke pacifistische beweging in Europa en verkondigde Norman Angell in zijn bestseller The great illusion (1909) de stelling dat oorlog contraproductief was geworden wegens de nauwe economische betrekkingen tussen de naties. Het is nog altijd een veelgehoord geluid, net zoals de begrijpelijke wens van al die dichters en denkers voor wie de les van de Grote Oorlog erop neerkwam dat zoiets verschrikkelijks nooit meer mocht voorkomen. Twintig jaar later was het weer zover.

In de literatuur over de Eerste Wereldoorlog zijn ook dáárvan de tekenen – achteraf – te herkennen. Lang niet iedereen die over 1914-1918 schreef, eindigde met een pacifistische conclusie. Het pacifisme vinden we zowel bij de overwinnaars als bij de verliezers, de voorspelling van of zelfs het verlangen naar een nieuwe oorlog vooral bij de verliezers.

Exacte wetenschappen

Iemand als Oswald Spengler, schrijver van Der Untergang des Abendlandes (1918-1921), zag de Eerste Wereldoorlog als niet meer dan het begin van de strijd om de wereldmacht, die zou gaan tussen Engeland en Duitsland. De eerste ronde was nu verloren, weldra kwamen er nieuwe kansen. Daarop dienden de Duitsers zich terdege voor te bereiden. Spengler hield de jeugd voor dat zij beter techniek en exacte wetenschappen kon studeren dan kunst en literatuur. De ware creativiteit was toch voorbij en in de komende strijd had je niets aan schilderijen en gedichten. Was een oorlogsschip bovendien niet veel mooier dan een Venusbeeld? De Italiaanse futuristen dachten er, al vóór 1914 trouwens, niet anders over.

Enigszins afwijkend was de visie van Ernst Jünger. Hij had de oorlog niet zoals Spengler doorstaan achter de schrijftafel, maar in de loopgraven. Daar kwam hij al gauw tot de ontdekking dat de moderne oorlog iets heel anders was dan een romantisch avontuur voor roembeluste helden. Vuurkracht en bewapening beslisten over triomf of nederlaag, niet de moed en de inzet van de individuele militairen. Maar ook de leuzen van koning, keizer en vaderland verloren snel hun betekenis. Bijna ongemerkt ontstond zo een nieuwe frontlijn: tussen degenen die in de gruwelijke technische wereld van de Materialschlagen wisten stand te houden en degenen die er mentaal onder bezweken.

De mannelijke mens

Jünger merkte dat hij tot de eerste groep behoorde en dat werd de belangrijkste les die hij aan zijn frontervaringen overhield: ook onder de meest onmenselijke omstandigheden kon iemand overeind blijven, zij het niet meer als burgerlijk individu maar als exponent van een nieuw hard en meedogenloos mensenslag. Ook de Britse schrijver Richard Aldington, die in tegenstelling tot Jünger de oorlog verafschuwde, kwam tot deze bevinding. In zijn helaas in de vergetelheid geraakte roman Death of a hero (1929) schrijft hij dat in de loopgraven ‘een nieuw merkwaardig mensenras, de mannelijke mens’ was opgestaan; zij maakten zich geen enkele illusie meer, maar kwamen evenmin in verzet. ‘They went on with the business, hating it’, schrijft Aldington, die ook het ‘onpersoonlijke’ karakter van de strijd benadrukt; de oorlog leek meer op ‘een conflict met angstaanjagende natuurkrachten dan met andere mensen’. Jünger had het, in de titel van zijn belangrijkste oorlogsboek In Stahlgewittern (1920), over de ‘staalstormen’ waaraan de troepen blootstonden.

De wereld zou nooit meer dezelfde zijn, onder de burgerlijke negentiende eeuw was een ‘bloedrode streep’ getrokken, aldus Jünger, die de nieuwe toestand typeerde als een ‘totale mobilisatie. Staat, mensenmassa, industrie – in een oogwenk konden ze veranderen in soepel functionerende onderdelen van een oorlogsmachine. De nieuwe wereld was er volgens hem een waar het geweld vlak onder het oppervlak zat, net als bij de mens die tijdens de gevechten weer in aanraking was gekomen net zijn beestachtige, ‘elementaire’ kern.

Nationalisme

Jünger kwam met deze ideeën pas na 1918. In de dagboeken die hij in de loopgraven bijhield en die een paar jaar geleden zijn uitgegeven, komen ze nog niet voor. Dus je zou kunnen zeggen: door de Wereldoorlog de ‘waarheid’ te laten onthullen over de westerse beschaving, geeft hij er alsnog zin aan, ook al had Duitsland de oorlog verloren. Zo’n interpretatie wordt des te plausibeler als we zien dat hij in de jaren twintig ook een fanatiek nationalisme cultiveerde. Want volgens hem was alleen dat in staat de Duitsers afdoende te prepareren op het geweld van de toekomst.

Jünger is in deze periode te beschouwen als een Duitse fascist, al omschreef hij zichzelf ook wel als ‘Pruisische anarchist’. Het fascisme geldt als het ongewenste kind van de Eerste Wereldoorlog. Dat klopt, zij het niet in ideologisch opzicht. De fascistische ideologie was namelijk al vóór 1914 in Frankrijk uitgedokterd door auteurs als Maurice Barrès (die als eerste een ‘socialisme nationaliste’ bedacht), Georges Sorel en diens leerling Georges Valois. Mussolini liet zich dankbaar door hen inspireren. Dat maakt het fascisme tot een echt Europees en niet exclusief Italiaans of Duits verschijnsel, net als de wereldoorlog. Georges Valois (pseudoniem van Alfred-Georges Gressent) had ook aan het front gevochten en daar vergelijkbare ervaringen opgedaan als Jünger en Aldington. Met dit verschil dat in zijn memoires D’un siècle à l'autre uit 1921 de nadruk komt te liggen op de fraternité en de ‘natuurlijke’ hiërarchie onder de combattanten. Zo zou het ook in de burgermaatschappij moeten zijn, concludeerde Valois, en dus richtte hij in 1925 Le Faisceau op en werd zo Frankrijks eerste fascist. Hij stierf in 1945 aan tyfus in het concentratiekamp Bergen-Belsen. Van fascist tot verzetsstrijder – alleen de twintigste eeuw heeft zulke levenslopen voortgebracht.

In het kamp maakte Valois, als slachtoffer, deel uit van wat je de morele zelfmoord van Europa zou kunnen noemen. Ook die kondigt zich aan in de literatuur over de Eerste Wereldoorlog. Bijvoorbeeld in Die Armee hinter Stacheldraht (1929) van de nu vrijwel vergeten Duitse schrijver Edwin Erich Dwinger, die in 1915 als zeventienjarige vaandrig krijgsgevangen was gemaakt aan het Russische front. In dit ‘Siberische dagboek’ beschrijft hij zijn ervaringen in de Russische kampen, waar de Duitse gevangenen tot zijn verontwaardiging en ontzetting als ‘tuchthuisboeven’ werden behandeld.

Wanneer op zeker moment vlektyfus uitbreekt en de kampleiding alle medische hulp weigert, sterven de soldaten massaal. Voor de barakken liggen de bevroren lijken opgestapeld als brandhout aan weerszijden van het pad. De verschrikkingen blijken niet het gevolg van onmacht maar van kwade opzet. Want Dwinger (die een Russische moeder had en goed Russisch kende) hoort de kampcommandant, bijgenaamd ‘de spitsmuis, het bevel geven ervoor te zorgen dat zo weinig mogelijk ‘Hunnen’ hun vaderland zullen terugzien.

Dwinger schrijft het allemaal op in zijn aantekenboekje, ‘opdat de mensheid eenmaal horen zal wat in de twintigste eeuw mogelijk was.’

Over zijn medegevangenen en hun toestand stelt hij vast: ‘Het individu is gestorven. Het is niet meer de Habsburgse pionier Meier of Müller, het is alleen nog maar een slachtoffer van de vlektyfus, nummer 14324 in deze winter, geen greintje meer.’ Alleen omdat sommigen de ellende in het kamp ook beschouwen als een strijd voor het vaderland (‘net als aan het front’), houden ze het vol. ‘Wat wij lijden, is alleen voor een idee vol te houden’, gelooft Dwinger.

Het zijn merkwaardige passages om te lezen. Vergelijkbare woorden kennen we uit een andere context: die van de Duitse concentratiekampen uit de Tweede Wereldoorlog. Toen was het alleen niet slechts de vlektyfus die de gevangenen doodde. Maar de misdaad tegen ‘het menselijke’ (waarvan Dwinger gewag maakt), de nood om begrijpelijke woorden te vinden (‘koelbloedig en zakelijk’ en niet ‘één enkele, waanzinnige, ongearticuleerde schreeuw’) en de ‘verdierlijking’ van de slachtoffers klinken maar al te vertrouwd.

‘Volksgemisch’

Dwinger wist zich na de revolutie van 1917 te redden door dienst te nemen in het leger van de Witten, en keerde na veel avonturen (waarover hij als een rechtse Theun de Vries vertelt in andere boeken) terug naar Duitsland. In 1941 was hij opnieuw van de partij, nu als officier van een SS-pantserdivisie die op 22 juni deelnam aan de aanval tegen Rusland. In Wiedersehen mit Sowjet-Russland (1942) bericht hij erover. Onder Dwingers door nazi-ideologie gestuurde pen wordt het een strijd tussen de westerse ‘Kulturmensch’ en een vreemd ‘Volksgemisch’, waarin hij lange tijd vergeefs speurt naar de Russen met blonde haren en blauwe ogen, die hij zich nog herinnert uit de Eerste Wereldoorlog.

In zijn ogen zijn Russen veelal ‘grote kinderen’, makkelijk te beïnvloeden door communistische gruwelpropaganda maar ook even zo makkelijk weer te winnen met een vriendelijk gebaar. Al in Die Armee hinter Stacheldraht schreef hij over de bewakers van het kamp: ‘Onder de spitsmuis waren deze soldaten Aziaten en beesten, onder de kapitein werden zij onschuldige en goedaardige mensen.’ Hun gedrag wordt, kortom, volledig bepaald door wie hen beveelt. Hoewel Dwinger de Russen nooit schijnt te hebben beschouwd als geboren Untermenschen, zag hij ze evenmin als volwassen en helemaal serieus te nemen medemensen.

Aan de geschiedenis zijn zelden betrouwbare lessen te ontlenen, maar misschien is het toch verstandig om deze houding nu niet over te nemen. Want hoe het Dwingers Kulturmenschen in Rusland is vergaan, weten we inmiddels.

    • Arnold Heumakers