Een nieuw begin door A.H.J. Dautzenberg

Wij, het volk van Nederland, hebben de brandende behoefte om onze angsten, lafheden en onzekerheden te bezweren met deze Grondwet, omdat we veronderstellen dat andere mensen wellicht minder bang, laf en twijfelmoedig zijn en daarmee een ernstig gevaar vormen voor onze veiligheid en die van onze kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen, achterachterkleinkinderen en achterachterachterkleinkinderen.

In artikel 1 van de Grondwet wordt beweerd dat discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, nooit en te nimmer is toegestaan. De toonzetting is zowel apodictisch als programmatisch: in Nederland wordt níét gediscrimineerd, we leven in een pacifistisch paradijs, punt! Tot zover de geruststellende retoriek. In de praktijk hebben de woorden een minder absolute uitwerking: homo’s worden weggepest, Marokkanen en andere buitenlanders moeten het land uit, predikanten en topambtenaren weren ambitieuze vrouwen, en pedofielen mogen niet meer bij elkaar op de koffie. De minister van Justitie vindt het allemaal best. Mensen zijn nu eenmaal bang en hebben bij gelegenheid een zondebok nodig.

Artikel 1 is dus al met al behoorlijk kneedbaar. En zijn er (Nederlandse) kinderen in het spel, denk aan vereniging Martijn, dan worden de woorden door de vrijkomende hitte ineens zó vloeibaar dat ze dreigen te verdampen. De Grondwet telt nog 141 vervolgartikelen. Alle dragen ze de schichtige schutkleuren van artikel 1.

A.H.J. Dautzenberg is schrijver. Onlangs verscheen zijn verhalenbundel ‘En dan komen de foto’s’ bij Uitgeverij Atlas-Contact.