Een museum voor een neutraal landje in een Grote Oorlog

De vluchtplaats van Wilhelm II was jaren een klassiek klein museum. Nu breidt het uit en wijdt het zich aan de vaak vergeten oorlogsepisode in neutraal Nederland.

Het Aardappeloproer is een van de bijna vergeten Nederlandse WO1-geschiedenissen. Amsterdamse vrouwen met hun schorten vol aardappels, 1917 Foto Hollandse Hoogte

Het ruikt nog naar verf, van de betonnen vloer. Op de muur staat ‘Verboden te rooken’. Ooit stonden hier de auto’s van keizer Wilhelm II, nu is de garage van Huis Doorn een lege ruimte van 250 vierkante meter. Een dag eerder is de verbouwing voltooid.

Herman Sietsma, directeur van Huis Doorn, leidt trots rond. In korte tijd, en met een bescheiden budget, werd een opslagplaats getransformeerd tot een tentoonstellingsruimte. Grote glazen schuifdeuren zorgen voor veel licht. Evenwijdig aan de garage wordt de komende maanden een grote glazen kas gebouwd, 200 vierkante meter vloer erbij. Hier opent in september een langlopende expositie over Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog. Geen museum, maar een ‘plaats van herinnering’.

De oorlog is de redding van Huis Doorn. Het museum, gewijd aan de ballingschap van de Duitse keizer Wilhelm II van 1920 tot aan zijn dood in 1941, stond er slecht voor. Een kritisch advies van de Raad voor Cultuur halveerde de rijkssubsidie voor de periode 2013-2016 van 517.000 naar 237.000 euro. De Raad miste een activiteitenplan en een verdienmodel. De subsidie was bedoeld om de collectie te beheren, maar het museum kon wel dicht.

Het museum legde zich er niet bij neer. Onder leiding van Herman Sietsma (1953), medio 2012 aangesteld als tijdelijk directeur-bestuurder voor één dag per week, ging het aantal betaalde banen van acht naar 3,5. Huis Doorn draait nu op 180 vrijwilligers. Oudere mensen vaak, met tijd over en belangstelling voor geschiedenis. Ze zitten achter de kassa, geven rondleidingen, verkopen koffie. En sommigen onderzoeken Wilhelms boeken op schimmel, met handschoenen aan.

Huis Doorn bleef open met minder geld, maar had geen plan voor de toekomst. De aard van het museum is statisch: het doel is het conserveren van het dagelijks leven van de Europese monarchie. De keizerlijke vertrekken zijn onveranderd; de pantoffels staan nog bij het bed, de tafel is gedekt. Leuk om een keer te zien, niet iets om voor terug te komen.

Er moest iets nieuws komen, en dat werd de oorlog. Huis Doorn kreeg 2,5 ton projectsubsidie van het ministerie van OCW voor een expositie over de Eerste Wereldoorlog. Toen er vervolgens ook nog 4,5 ton binnenkwam van de BankGiroLoterij was het rond.

Het plan kost 945.000 euro. Kleinere bijdragen komen van regionale fondsen. Sietsma is resoluut over de financiering: „We gaan geen cent uitgeven die we niet hebben. Het allerergste scenario zou zijn dat een tekort ten koste zou gaan van Huis Doorn. De expositie moet Huis Doorn juist helpen.” Sietsma rekent op een toename van 10.000 bezoekers per jaar, nu 28.000.

De Eerste Wereldoorlog binnenhalen bleek een gouden greep. Huis Doorn is nu de plek waar activiteiten rond de herdenking van de Eerste Wereldoorlog in Nederland samenkomen. Voor de komende vier jaar werkt het museum samen met NIOD en Openluchtmuseum. Er komen symposia, lezingen, voorstellingen, lesbrieven.

Werktitel van de expositie is ‘Nederland neutraal maar niet afzijdig’. Bezoekers krijgen een audiovisuele presentatie over Europa van midden 19de eeuw tot nu, met de Eerste Wereldoorlog als keerpunt. De expositie zal bestaan uit zes thema’s: mobilisatie, neutraliteit, vluchtelingen, blokkade en economie, revolutie en publieke opinie. Ook al vocht Nederland niet mee, de oorlog had grote gevolgen voor het dagelijks leven. Duizenden Belgische vluchtelingen kwamen naar Nederland en de oorlog compliceerde de voedseltoevoer. Zo brak in 1917 in Amsterdam het Aardappeloproer uit: vrouwen uit de arme Oostelijke Eilanden van de stad trokken onder meer naar de Prinsengracht waar een schip vol aardappels voor het leger lag. Het leidde tot een week van plunderingen waarbij negen doden vielen. Zulke verhalen wil het museum tonen.

De Eerste Wereldoorlog leek in Nederland lang min of meer uit het collectieve geheugen gewist. Dit herdenkingsjaar is voor veel Nederlanders waarschijnlijk een kennismaking. Geen wonder dat het plan voor een museum over 1914-1918 in Nederland snel werd opgepikt en gerealiseerd.

Maar is het niet curieus dat deze herinnering levend wordt gehouden op een locatie waar ook een van de hoofdrolspelers van de oorlog wordt herdacht? Sietsma: „Wij vereren Wilhelm niet, wij laten zien hoe hij leefde. Over de schuldvraag van de oorlog debatteren historici nog steeds. Mij past daarover geen oordeel.”

    • Mark Duursma