De wedstrijd van het jaar

Vlak voor het begin van de dorpsderby zie ik zo’n tweehonderd toeschouwers rond het veld. In een hoek staat het meest fanatieke groepje. Een stuk of tien, vijftien jochies van naar schatting nog geen twaalf jaar oud hebben een heus spandoek gemaakt waarop ze in bijna foutloos Nederlands hun schoolmeester, voetbaltrainer en grote broers aanmoedigen. Het ziet er aandoenlijk uit.

Voor de stand is het een wedstrijd „om des keizers baard”, zoals dat in sportterminologie heet, de spanning langs de lijn doet anders vermoeden. Tijdens dit plaatselijke onderonsje zijn vrienden voor even vijanden en alle aanwezigen hier weten dan ook maar al te goed dat er wel degelijk iets op het spel staat. Na het weekend komt iedereen elkaar gewoon weer tegen in de buurtsuper, bij de kapper of op straat. De verliezers van vandaag – spelers én aanhang – zullen de vrolijke spot van de winnaars nog maandenlang, bij al die ontmoetingen, moeten aanhoren.

Alle spelers blijken elkaar te kennen. Rond de middenlijn worden handen geschud en grappen gemaakt.

„Ik zie je morgen met je krukken bij de koffieautomaat.”

„Je begrijpt dat die zus van jou hier vandaag alleen voor mij is hè.”

„Als je straks scoort, kom ik nooit meer in die zaak van je.”

Ze geven vriendschappelijke tikjes tegen elkaars wang en achterhoofd en ik zie zelfs een speler die speels aan de oorlel van een ander trekt.

De wedstrijd is begonnen, het is helemaal geen onvriendelijk duel. De gezonde rivaliteit uit zich in sportief spel in plaats van schop- of scheldpartijen. Ook langs de kant heerst een gemoedelijke, dorpse sfeer. Natuurlijk wil elk kamp graag winnen, maar na een eventueel verlies zal de wereld niet vergaan.

De basisschooljongens in de hoek maken nog het meeste kabaal. Telkens als de voor hen vijandelijke keeper de bal schiet, roepen ze heel hard in koor: „Hooooo… Pizza!”, waarmee verwezen wordt naar de ietwat zwaarlijvige profdoelman Verhoeven. Supporters in het stadion vinden die uitroep grappig en de spandoekjongetjes doen hen nu na.

Dan, na een aantal beslissingen in het nadeel van hun club, begint het groepje plotseling te zingen: „Scheids-rech-ter je moeder is een hoer, je moeder is een hoer, je moeder is een hoer.

Er wordt wel vaker vanaf de kant iets geroepen, maar dit is zó ongepast dat ik werkelijk stomverbaasd ben. Hoor ik dat goed? Ja, ik hoor het goed. Na een fikse reprimande van een oudere man die vlakbij staat, houdt het zingen op. Toch blijft het tot ver na de wedstrijd in mijn hoofd nagalmen.

Voel ik me beledigd? Nee. Verafschuw ik die ventjes? Ook niet. Waar ik me druk om maak zijn de échte schreeuwlelijkerds. De volwassen mannen die op de een of andere manier steeds minder, minder, minder lijken stil te staan bij de eventuele gevolgen van hun belachelijke gedrag.