Column

De grootste knal voor een defensiedollar

Ze zijn klein, maar precair: Letland en Litouwen, twee van de drie Baltische staten boven Rusland, willen hun militaire uitgaven verdubbelen tot 2 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Die 2 procent is het officiële doel van de NAVO, waar op dit moment maar weinig leden van deze organisatie zich aan houden. Het conflict rond Oekraïne heeft inmiddels geleid tot een roep om méér aandacht voor defensie. President Obama vroeg de Europese landen woensdag in Brussel op om meer aandacht te geven aan hun militaire uitgaven, in plaats van verder te bezuinigen.

Wie geeft wat uit? Op basis van gegevens van de Wereldbank, die zich baseert op onderzoeksinstituut Sipri, mag worden gesteld dat Europa niet aan zijn opdracht voldoet: de EU gaf als geheel in 2012 gemiddeld 1,6 procent van het bbp aan defensie. Uitschieters: het Verenigd Koninkrijk (2,5 procent) en Frankrijk (2,3 procent). Meelifters: Italië (1,7 procent) en Duitsland (1,3 procent), Nederland ( 1,3) en België (1,1) Vergelijk dat met 4,2 procent voor de VS en vanuit Obama’s gezichtspunt wordt de ergernis duidelijk.

Wat doen de opkomende landen? Rusland geeft 4,6 procent uit en China 2 procent – ironisch genoeg precies de NAVO-norm. India is goed voor 2,4 procent. Dat is dus allemaal al relatief méér dan het Westen, uitgezonderd de VS. Maar in werkelijkheid is het verschil nog veel groter.

Het prijspeil in verschillende landen loopt ver uiteen, en dat maakt internationale vergelijkingen vaak lastig. Defensie-uitgaven worden wereldwijd gemeten in (miljarden) dollars, maar het ene land koopt voor een dollar veel meer ‘defensie’ dan het andere. Dat geldt voor de kosten van een soldaat tot en met logistiek en uitrusting van het gehele militaire apparaat. Hoe groter een land is, hoe meer militaire goederen het zelf produceert. En hoe groter dus ook het kostenvoordeel of -nadeel. Wellicht zijn Westerse militairen productiever, maar er drukken ook meer ‘Westerse’ kosten kosten op het budget – pensioenen en aan ziekte verwante posten bijvoorbeeld.

Een manier om in ieder geval het kostenverschil te benaderen is een herberekening op basis van ‘koopkrachtpariteit’. En de Wereldbank is een van organisaties die zulke calculaties doet. Zij geven het bruto binnenlands product van elk land in dollar én in dollar gecorrigeerd voor verschil in koopkracht – zogenoemde ‘ppp-dollars’ (van purchasing power parity). Wie dat loslaat op de percentages van het bbp die landen uitgeven aan defensie komt tot verrassende conclusies.

Voor Westerse landen maakt het koopkrachtverschil weinig uit. De VS gaven in 2012 682 miljard dollar uit, en in ppp-dollars was dat 693,8 miljard dollar. Maar voor landen lager op de ontwikkelingsladder kan het verschil erg groot zijn. China bijvoorbeeld gaf 166 miljard dollar uit, maar in ppp-dollars was dat veel meer: 246 miljard. De Chinese militaire uitgaven bedragen zo bezien geen 24 procent van de Amerikaanse, maar al 36 procent.

Kijk naar Duitsland en Frankrijk, samen het hart van de eurozone. Die geven samen 105 miljard dollar uit aan defensie. Dat ís méér dan de 90 miljard van Rusland. Maar in ppp-dollars bedragen de Frans-Duitse uitgaven maar 101 miljard, tegen 146 miljard voor Rusland.

India geeft nominaal 45 miljard dollar uit, maar in ppp-dollars is dat maar liefst 118 miljard dollar. De BRIC’s, de grootste opkomende landen, spenderen nu nominaal nog geen vijfde van alle wereldwijde uitgaven aan defensie. Corrigeer dat voor koopkracht en het is al meer dan een kwart.

Zij krijgen a bigger bang for a buck, zoals de Amerikaanse president Eisenhower dat destijds onder woorden bracht. En wij? Wij besteden een bigger buck for a bang. En zo te horen worden dat er binnenkort nog meer.