De allereerste militaire slachtoffers vielen in de Franse Elzas

Het jaar 1914 werd getekend door het schietincident in Sarajevo dat alle andere incidenten nietig maakte. Het was de ouverture van een vierjarig inktzwart sprookje, vanuit dramatisch oogpunt nauwelijks te overtreffen. Toch zijn er meer tragische gebeurtenissen uit de aanloop naar 1914-1918, die vooruitlopen op wat komen ging en rechtstreeks terugvoeren naar de patriottistische politiek en paniek in het Europa van toen.

Zo’n voorval was de schermutseling op 2 augustus 1914 aan de Frans-Duitse grens, dertig uur voordat Duitsland de oorlog echt aan Frankrijk verklaarde. Een Duitse onderluitenant stormde met zijn verkenners het dorpje Joncherey in de Franse Elzas binnen, schoot een Franse korporaal neer, die net voor zijn sterven op zijn beurt nog een voltreffer op de Pruis afvuurde. Ze waren de eerste militaire slachtoffers van la Grande Guerre en schonken elkaar aldus onsterfelijkheid. Het incident zou later kleinmythische proporties aannemen. Achteraf smeekt het om verteld te worden, want als de schoten in Sarajevo ‘goud’ zijn, dan zijn de schoten in Joncherey op z’n minst zilver voor een auteur.

Theo Toebosch schreef er De eerstgevallenen over. Het doet denken aan zijn familiegeschiedenis Uitverkoren zondebokken over de 19de en 20ste-eeuwse Joodse familie Jitta, en ook niet. Kwamen de Jitta’s tot leven, de hoofdfiguren uit het drama van 2 augustus 1914 blijven enigszins figuranten in een epos dat veel groter is dan zijzelf.

Daar konden de twee niets aan doen, en Toebosch wellicht ook niet. Hij preludeert al vanaf de eerste bladzijden op het incident, dat pas volledig beschreven wordt in het laatste hoofdstuk. Ondertussen komen we een en ander te weten over de Duitse bankierszoon Albert Mayer en zijn Franse tegenschutter André Peugot, afkomstig uit een arbeidersgezin. De Duitser bleek een matig getalenteerd jockey, de Fransman een niet onverdienstelijk hulponderwijzer, vlak voordat de oorlog hen op fatale manier in elkaars armen dreef. Toebosch is relatief zuinig met dergelijke wetenswaardigheden, alsof zijn bronnenmateriaal hem ‘dwingt’ tot het grotere verhaal rondom het schietincident. De nadruk ligt op de geschiedenis die met het drama aan de haal ging. Voor Frankrijk bewijst het incident, tot ver nadien, dat Duitsland de agressor is. Duitsland weet er als aanvaller en later als verliezer, minder goed raad mee. Kenmerkend is het verschil in monumenten. Peugot kreeg een protserig, nationalistisch gedenkteken, Mayer een bescheidener exemplaar.

Toebosch heeft een prettig leesbaar en inzichtelijk boek geschreven over monumentalisering. Het familiedrama is er een beetje bij ingeschoten, maar ondertussen weten we hoe geïnstitutionaliseerde herinnering werkt. ‘The winner takes it all, the loser standing small’, zo leert deze historie tot het moment dat de nazi’s aan de macht komen. Zij maken van Mayer een Eerste Wereldoorlogsheld bij uitstek en blazen in 1940 het gedenkteken voor Peugot op. Na 1945 verdwijnen de onderluitenant en de korporaal in de mist van een veronachtzaamd verleden. Lokaal leiden ze nog een gecultiveerd bestaan. Dat wel.

    • Jos Palm