Breng de burgerlijke moraal terug

Zo’n participatiesamenleving werkt alleen met burgerlijkheid, vindt Govert Buijs.

Illustratie Cameron Cardow

In enkele jaren ontstond er een nieuw ‘beleidsdiscours’ dat begon bij ‘zorgzame samenleving’ (Brinkman rond 1985) of ‘participatiesamenleving’ (Wim Kok begin jaren ’90) of ‘participatiemaatschappij’ (Balkenende rond 2005), nu weer ‘participatiesamenleving’. Met ‘burgerschap’, ‘burgerkracht’, ‘zelfredzaamheid’.

Onder Balkenende werden de eerste stappen gezet met de Wet Maatschappelijke Ondersteuning, de WMO. We zijn getuige van ‘CDA-isering’, die plaatsvindt nu het CDA grotendeels aan de kant staat.

Er tekent zich een nieuw ideologisch compromis af. Liberalen scoren bezuinigingen en de ontmanteling van de verzorgingsstaat, links ziet idealen van volksverheffing en zelfbestuur, christen-democraten en gemeenschapsdenkers ontwaren een nieuw ‘middenveld’ van gezamenlijk burgerinitiatief. Midden in de netwerksamenleving kunnen we de goede kanten van het omvangrijke Nederlandse civil society-initiatief doen herleven, de zorgstructuren van voor de verzorgingsstaat, ‘the best of all possible worlds’!

Creëren we dan geen burgerschapsbubbel zoals eerder de dot-com bubbel of de hypotheekhausse? De empirische onderbouwing van de burgerschapsbubbel is even weinig solide. Is de liefkozend aangeduide ‘Burger 2.0’ geen droomwereld? Steken we ons nu niet in immateriële schulden van schrijnende zorgtekorten, verloedering van de publieke ruimte, mensen die aan zichzelf overgelaten worden of die het eigenlijk niet aan kunnen. Dat vrezen althans veel ‘burgers 1.0’. Waar komen ineens die miljoenen betrokken burgers vandaan, die door beleidsmakers vijf jaar geleden nauwelijks gezien werden? Trekken we blikken vrijwilligers open? De burger, waar was die ook weer?

Vanaf de jaren ’60-revolte is de ‘burger’ mikpunt geweest van hoon. De petit bourgeois met zijn Opel Kadett en doorzonwoning was het inbegrip van alles wat verachtelijk was. En geen van de protagonisten van de nieuwe burgerschapshausse wil daar natuurlijk naar terug.

De hoogtijdagen van burgerinitiatief tussen 1850 en 1950 hadden veel te maken met de burgerlijk-christelijke moraal die breed in de samenleving functioneerde en zich zelfs in de socialistische ‘volksverheffing’ manifesteerde. Sinds 1806 (tot 1981!) stond in de Nederlandse onderwijswet dat het openbare (!) onderwijs diende op te leiden tot ‘alle Maatschappelijke en Christelijke deugden’. En kerken waren, hoezeer men vandaag de dag ze primair ziet als broeinesten van seksueel misbruik, oefenplaatsen voor vrijwilligerswerk, zodat tot op de dag van vandaag kerkleden nog steeds bovenproportioneel actief zijn in allerlei vormen van vrijwilligerswerk (met name ook in het zorg-gerelateerde vrijwilligerswerk). Het radicale afscheid van de christelijk-burgerlijke moraal sinds de jaren ’60, dat alle kenmerken heeft van zo’n Nederlandse collectieve hype, belemmert de herleving van burgerinitiatieven. Alle pijlen richtten zich eind jaren ’60 op de plots als verstikkend ervaren seksuele moraal. Maar een gemakkelijk vergeten, karakteristiek onderdeel was de ‘zorgverleningsmoraal’. Deze burgerlijke ‘micro-ethiek’ werd stilzwijgend vervangen door een abstracte macro-ethiek: protesten tegen Vietnam, kernwapens, Outspan-sinaasappels en in brede zin strijden voor een solidaire wereld.

Er werd een abstracte verzorgingsstaat opgetuigd waarin ik solidair ben met mijn buurman door de verplichte belasting- en premieafdracht en mij dus tegelijk op goede gronden aan elke concrete in natura hulp kan onttrekken. In deze geniale sociaal contract-formule kan elke burger in één beweging de zorg voor anderen vervullen en afkopen. Via de fiscaliteit koop ik mijn individuele vrijheid en solidariteit met mijn familieleden en medemensen. Ik hoef niets te doen, het wordt gedaan. Bovendien koop ik, als bonus, ook nog de solidariteit van al mijn medeburgers met mij.

Zo kon eigenlijk maar één moreel discours opbloeien: dat van de individuele vrijheid. Van uiterst links tot rechts worden we allen liberaal en storten we ons in de hectische dialectiek van carrière en consumptie. Maar in die zelfde beweging wordt ook de fiscale solidariteit geherdefinieerd als ‘lasten’ die uiteraard ‘verlicht’ moeten worden. En dus kalft het draagvlak voor de verzorgingsstaat af.

Maar is ook de morele basis voor herleving en immense uitbreiding van concrete solidariteit, het nieuwe burgerschap, weer terug, zoals de armada van beleids- en adviesorganen denkt? Dat staat te bezien.

Gelukkig was voor een fors deel het anti-burgerlijke sentiment een intellectuele exercitie voor hoger opgeleiden en zijn veel mensen voor elkaar blijven zorgen. Veel van de zogenaamde ontdekking van de plots actieve ‘Burger 2.0’ is niet meer dan genadig opengaan van de ogen van de kosmopolitische gediplomeerde beleidselite voor wat ondanks het bijtende antiburgerlijke sarcasme toch gewoon doorging, in buurten, in wijken, in families.

Het christelijk-burgerlijk beschavingsfundament is al eeuwenlang veel taaier dan alle liberale, marxistische, Nietzscheaanse of postmodern-Franse kritiek ons wil doen geloven.

Het nieuwe burgerschap van de participatiemaatschappij ontstaat niet meer alleen in termen van ‘leuk’ en ‘zelfontplooiing’ van de ‘Burger 2.0’ maar ook in heruitvinding van het woord ‘plicht’.

Er zijn nieuwe morele oefenplaatsen nodig, omdat moraal nog altijd veel meer een zaak is van navolging van inspirerende voorbeelden dan het gehoorzamen van regels (in de christelijke traditie sprak men daarom ook altijd van de imitatio Christi). Kerken spelen voorlopig die rol voor een groot deel van de samenleving niet meer, dus is het zaak om elders te kijken.