Zo’n media- advies raakt altijd zoek

Het mediarapport van de Raad voor Cultuur overbrugt traditionele tegenstellingen maar in de regel negeert de politiek deze adviezen aldus H.M. van den Brink.

Iedereen zal beamen dat in een democratie de media zoveel mogelijk gevrijwaard moeten zijn van inmenging door de overheid. Toch is het beleid voor radio, televisie en internet sinds jaar en dag een van de meest verpolitiekte dossiers die ons land kent. Daar zal het vandaag gepubliceerde rapport ‘De tijd staat open’ niet veel aan veranderen. Het advies kwam tot stand met medewerking van tientallen deskundigen en wil het overheidsbeleid op het gebied van de publieke media ‘toekomstbestendig’ maken. Dat streven kenmerkte ook eerdere, al even ambitieuze en onpartijdige rapporten zoals dat van de commissie-Ververs (1996), de commissie Rinnooy-Kan (2003) en de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (2005). Hun voorstellen werden beleefd aangehoord en vervolgens vakkundig zoekgespeeld in de bijzondere dynamiek tussen Hilversum en Den Haag.

Wilde staatssecretaris Sander Dekker dus alleen tijd kopen toen hij de Raad voor Cultuur de opdracht gaf voor deze grootscheepse gedachtenoefening? Die indruk wordt wel gewekt door de adviesaanvraag, waarin te lezen staat dat de verkenning dient te gaan over de periode vanaf 2020 maar dat het resultaat ‘in lijn’ moet zijn met zoiets tijdelijks en onbestendigs als het huidige regeerakkoord. In 2020 zijn we twee kabinetten verder en heeft het mediagebruik een aantal veranderingen doorgemaakt die we nu nog nauwelijks kunnen voorzien.

Gelukkig dus, dat de Raad zich niet helemaal aan de opdracht heeft gehouden. Al blijft het jammer dat enerzijds wordt erkend dat kranten, tijdschriften, omroepen, online-bedrijven gezamenlijk deel uitmaken van hetzelfde medialandschap, maar anderzijds het advies zich vooral bezighoudt met de organisatiestructuur van ‘Hilversum’. Net als de eerdere adviezen pleit de Raad voor meer invloed van de centrale NPO, als het orgaan dat inhoudelijk de koers bepaalt en verantwoording aan de samenleving aflegt. Maar nieuw is, dat per programmacategorie een hoofdredacteur zou moeten worden aangesteld die voor vijftig procent kiest uit wat de – na recente fusies – acht Hilversumse omroepen aanbieden en voor de andere helft van het beschikbare budget ook gebruik kan maken van andere aanbieders: zelfstandige productiemaatschappijen maar ook kranten, culturele instellingen, maatschappelijke belangengroepen. Het bestel is dan niet meer het exclusieve eigendom van de omroepen en hun leden, maar staat open voor iedereen die iets belangrijks te melden heeft. Wat tegenwoordig ‘creatieve industrie’ wordt genoemd, krijgt rechtstreeks toegang tot publiek mediageld. Daarbij valt aan te tekenen dat de omroepen die nu in naam programma’s leveren deze programma’s ook nu al vaak door derden laten maken, door bedrijven die net zo goed aan de commerciële omroepen leveren of zelfs eigendom van die concurrenten zijn. Maar toch. Er is ook kennis voor nodig om opdrachten te formuleren en de uitvoering te begeleiden. Die kennis is nu bij de omroepen aanwezig en niet bij de NPO. Verandert dat, dan blijft als enige bestaansrecht voor de huidige omroepen hun vermogen om het werk niet langer aan productiemaatschappijen over te laten maar om zelf creatief te zijn en programma’s, oftewel ‘content’, te maken.

Nog voor de Raad voor Cultuur zijn advies uitbracht kwamen de omroepen tegen deze mogelijke overdracht van taken in het geweer. En wel door de politieke partijen een smakelijke worst voor te houden. Wat als we de drie televisiezenders eens op basis van politieke voorkeur zouden inrichten, zo opperde Eric van Stade afgelopen zaterdag in De Telegraaf. Van Stade is directeur van de fusie-omroep AvroTros en was voorheen de baas van het commerciële SBS. Hij wil alle macht terug bij de verenigingen, die dan zelf een ‘neutraal net’ zouden gaan bestieren met AvroTros, Max en WNL, een progressief net met BNN-Vara en VPRO, en een conservatief net met KRO-NCRV en EO. Het voorstel illustreert perfect waarom het uit de verzuiling afkomstige stelsel van omroepverenigingen een atavisme is dat niet meer past op de huidige werkelijkheid, zelfs niet de politieke. Want: moeten de kiezers van PVV en VVD zich per se aangesproken voelen door de christelijke beginselen, terwijl de zelfverklaarde rechtse omroep WNL ineens tot ‘neutraal’ wordt verklaard? En voelt de achterban van de SP zich echt thuis bij de elitaire VPRO?

De onuitvoerbaarheid van dit plan betekent helaas niet dat de voorstellen van de Raad veilig zijn voor politiek opportunisme. Toen in 2000 de omroepbijdrage werd afgeschaft, waarna publieke media voortaan werden gefinancierd uit de algemene middelen, verzekerden de toenmalige regeringspartijen VVD en PvdA dat die financiering stabiel zou zijn en niet onderhevig aan de politieke conjunctuur. Die belofte is gebroken. Er is plotseling en disproportioneel bezuinigd. Eerst door het kabinet Rutte I onder druk van Geert Wilders. Daarna door Rutte II, met medewerking van de PvdA. In de huidige coalitie heeft ook een bizarre uitruil plaatsgevonden: de PvdA bedong het schrappen van culturele taken, zoals omroeporkesten en het Mediafonds, terwijl de VVD inzette op het vergroten van de reclame-inkomsten. Dat is, zacht gezegd, een opmerkelijk standpunt voor een liberale partij, die toch bezwaar zou moeten hebben tegen marktverstoring met publiek geld.

‘De tijd staat open’ is sterk in zijn analyse en tracht traditionele tegenstellingen te overbruggen, bijvoorbeeld door het accent te verleggen van regulering naar het vaststellen van uitgangspunten, zodat er beter kan worden ingespeeld op veranderingen in technologie en gedrag van het publiek.

Het advies lijkt echter nogal naïef als het gaat om haalbaarheid. Zijn de in zwaar weer verkerende krantenbedrijven echt geholpen wanneer ze bij de NPO om financiering kunnen aankloppen? Mag van de publieke omroep gevraagd worden om de commerciële omroepen te laten ‘floreren’ terwijl er tegelijkertijd wordt geconcurreerd om de aandacht van de luisteraar en de kijker? Kan de omroep verantwoordelijk worden gemaakt voor experimenten en ‘innovatie’ op mediagebied waarvan de resultaten ook aan de concurrenten ten goede moeten komen? Dat is veel, vermoedelijk te veel gevraagd. De weg naar implementatie van dit advies is een politiek traject. En dat voorspelt in het licht van de historie niet veel goeds.