Weg uit het schnitzelparadijs

Het bereiken van voedselveiligheid gaat met vallen en opstaan. Het recente melkschandaal in China is door het Westen opgevat als een typisch voorval op de weg naar een moderne samenleving. Eerst de calamiteit, dan het alarm, gevolgd door overheidsingrijpen met het optuigen van een inspectie- en controleapparaat.

De achterliggende gedachte is dat voedselveiligheid, eenmaal bereikt, een vast gegeven is voor een samenleving. Ondernemingen in de voedingsketen zouden zelf belang hebben bij een hoge standaard, consumenten zouden slim en mondig genoeg zijn en de markt doet de rest: het kaf wordt vanzelf en voortdurend van het koren gescheiden.

Het gisteren gepubliceerde rapport van de Onderzoeksraad voor de Veiligheid over de vleesverwerkende industrie in Nederland onderstreept dat dit fictie is. De veiligheid van vlees is volgens de Onderzoeksraad lang niet altijd gewaarborgd. De sector, die bestaat uit 42 grote, 18 middelgrote en 179 kleine slachterijen, kent talrijke tekortkomingen. Hygiëne laat te wensen over en fraude met vlees noemt de raad een ‘onderschat risico’. Er is schade aan de volksgezondheid.

Het paardenvleesschandaal van vorig jaar bracht aan het licht hoe complex en onoverzichtelijk de internationale ketens in deze sector zijn. De consument denkt te weten wat hij eet en waar dat vandaan komt, maar of dat klopt is vaak de vraag.

Dat roept om ingrijpen. Maar het controleapparaat is de afgelopen jaren juist uitgekleed, ten gunste van wat ‘zelfregulering’ mag worden genoemd. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit heeft minder geld en méér taken gekregen. De inspecties schieten tekort.

Kennelijk kan het waarborgen van kwaliteit en integriteit niet aan de sector worden overgelaten – een conclusie die de afgelopen decennia wel vaker op het strand is aangetroffen als het tij van de overheid zich terugtrok.

Meer en betere controle is dus gewenst. Maar er zijn ook andere partijen dan de vleesverwerkers die hun verantwoordelijkheid kunnen nemen. Supermarkten dwingen in een voortdurende prijzenslag de marges in de hele keten naar beneden. Dat is normaal zakendoen, maar er is hier een ondergrens, waar beneden het risico op normvervaging toeneemt.

En dan is er ook nog de consument. Die zou af en toe zelf ook kunnen bedenken dat de bodemprijzen waartegen vlees en vleesproducten worden aangeboden, zich moeilijk gaan verdragen met de verwachting van een hoogstaande kwaliteit. Het eten van minder vlees is niet de enige oplossing. Maar het zou wel een stuk helpen.