Songs maken in ploegendienst

‘Co-writing’ is het nieuwe toverwoord in de muziekindustrie. Muzikanten werken steeds vaker samen bij het schrijven van liedjes. Bijvoorbeeld tijdens ‘schrijfkampen’.

Van boven naar beneden: Daleri (Zweden), Jenny Wahlstrom (Zweden) & Léon Paul Palmen, Erik Arbores, Eyelar & Jan Rooymans, Eddy Steeneken (Moke) & Lynn Olsen, TV Noise Foto’s Roger Cremers

Op cd-hoesjes van grote popsterren is tegenwoordig iets opmerkelijks te zien: achter de titel van een liedje staan niet zelden acht tot tien namen vermeld. Dat zijn de songschrijvers die hebben bijgedragen aan de compositie van bijvoorbeeld Beyoncé, Katy Perry of Eminem. Die bijdrage kan groot zijn of bescheiden – ook de bedenker van de kreet ‘Britney bitch’, in Scream & Shout van Will.i.am en Britney Spears, werd vermeld.

Dit fenomeen heet ‘co-writing’ en co-writing is het nieuwe toverwoord in de muziekbusiness. Bij de ‘co-write’ wordt een nummer geschreven tijdens relatief korte ontmoetingen, door een gezelschap van twee of meer songschrijvers en producers. Er wordt een instrumentatie bedacht en er is een producer aanwezig om het geheel volwaardig te laten klinken.

„Binnen de huidige pop- en dancecultuur gaat het tegenwoordig minder makkelijk in je eentje, songschrijven”, zegt Suzanne van den Dool van muziekuitgeverij Sony/ATV Music Publishing. Ze contracteert en begeleidt schrijvers, en zorgt dat hun liedjes terechtkomen bij uitvoerende artiesten. „Het ambacht van schrijven wordt steeds belangrijker, omdat artiesten en platenmaatschappijen zo min mogelijk risico willen lopen. De huidige muziekmarkt draait steeds meer om singles en hits. In mijn werk ben ik daarom steeds op zoek naar combinaties van songschrijvers, die hun kwaliteiten bundelen. Mede door programma’s als The Voice is er behoefte aan een grote voorraad songs, voor de kandidaten. Ik krijg regelmatig vraag naar nieuwe tracks. Daarvoor koppel ik verschillende songschrijvers aan elkaar.”

Ook onder muzikanten neemt de belangstelling voor samenwerking toe. Muzikant/songschrijver Simon Gitsels, pianist bij zanger VanVelzen, neemt regelmatig deel aan gezamenlijke sessies, al moest hij aan het idee wennen. „Op de muziekopleidingen krijg je altijd te horen dat je ‘uniek’ moet zijn”, zegt Gitsels. „Je leert dat je zelf je liedjes moet schrijven en uitvoeren, om toch vooral je individualiteit uit te drukken. Maar in de praktijk werkt dat niet. Er zijn maar weinig mensen zo getalenteerd dat ze alles zelf kunnen, denk bijvoorbeeld aan Prince. Al die anderen hebben in hun eentje gewoon niet voldoende talent. Dat is de realiteit: één medicijnman per dorp, die in zijn eentje de massa in vervoering brengt, is genoeg. De rest moet samenwerken om iets moois te maken.”

Volgens Gitsels worden de composities inmiddels anders aangeboden dan vroeger; de tijd van ‘ruwe demo’s’ – een door akoestische gitaar begeleid liedje – is voorbij. „Een bulk nummers maken heeft tegenwoordig geen zin meer. Een song moet op maat worden aangeleverd. Ook daarvoor is het handig om samen te werken. Dan kun je direct de juiste zang opnemen, meerdere instrumenten bespelen, en de track goed produceren. Inmiddels heb ik een netwerk van mensen met wie ik nummers maak. Dit jaar brengen onder anderen Wouter Hamel, VanVelzen, en finalisten uit The Voice mede door mij geschreven liedjes uit.”

Schrijfkampen

Om de samenwerking tussen verschillende songschrijvers te stroomlijnen worden er tegenwoordig ‘writing camps’ georganiseerd. Dat gebeurt in Amerika, Engeland en Scandinavië, en in Nederland. Het zijn strak gestructureerde kampen waar de schrijvers per dagdeel in wisselende combinaties samenwerken; elk dagdeel zou een liedje, of in ieder geval een schets, moeten opleveren.

Op een middag in november zit de keukentafel van Bullet Sound, een studiocomplex in Nederhorst den Berg, vol songschrijvers, waaronder Eddy Steeneken (toetsenist van Moke), singer-songwriter Niels Geusebroek, zangeres Eyelar, dj Erik Arbores en zangeres Jenny Wahlstrom. Ze geven elkaar hagelslag en witbrood aan en praten over optredens en hun laatste composities. Dan beginnen de middagsessies en waaieren de muzikanten uit over een van de vijf studio’s. In studio 3 zit Nederlands’ jongste dj Erik Arbores (16) samen met ‘oude rot’ Jan Rooymans; in 4 neemt toetsenist Eddy Steeneken een zangpartij op met zangeres Lynn; in 2 zit Wiwek met twee partners – hier zullen ze de hele middag schrijven, ruwe schetsen opnemen, en zangpartijen uitproberen.

De songschrijvers/muzikanten werken in diensten: voor de ochtend krijgen ze partners toegewezen, en na de lunch wacht een nieuwe combinatie. ’s Avonds mag er ‘vrij’ worden gemusiceerd om de nieuwe liedjes te oefenen – en dat vijf dagen lang. Dit schrijfkamp werd georganiseerd door de publishing-afdeling van platenmaatschappij Spinnin’ Records van Eelko van Kooten, die succes heeft met dance van bijvoorbeeld Martin Garrix en Nicky Romero. Het doel van het schrijfkamp was om „zoveel mogelijk goeie schetsen te maken”, zegt creatief manager Daan Determeijer. „In verschillende genres, zoals dance, hiphop, pop.” Het resultaat is niet speciaal voor één artiest bedoeld. Vaak is dat wel het geval, zo was er laatst een kamp voor de nieuwe cd van VanVelzen en worden binnenkort schrijfsessies gehouden voor cd’s van Trijntje Oosterhuis en Gerard Joling.

Tijdens de middagsessies loopt Determeijer van studio naar studio, om de voortgang te peilen. Tegen twee dj’s achter computers, zegt hij: „Willen jullie iets uitproberen met een rapper? Kan hoor, we hebben Zanillya in huis.” Een van de jongens kijkt op. „Goed idee, stuur maar langs.”

Beneden, in een met hout beklede ruimte, zit dj Erik Arbores op de grond voor een stoel, op de zitting staat een laptop. Arbores werkt hier samen met Jan Rooymans, die keyboards speelde bij Golden Earring, en in 1995 auteur was van de hit Het is altijd lente in de ogen van de tandartsassistente. Ze maken een dancenummer rond een pianomotief. Arbores luistert naar een opname. „Ik vind het raar dat het hier zomaar stopt”, zegt hij. Op de vleugel probeert hij een nieuw loopje uit.

In de studio ernaast heeft Wiwek met twee anderen een ‘clubtrack’ gemaakt, voor de dansvloer. We luisteren naar de apengeluiden en het geloei als van een zieke koe, ondersteund door kletterend ritme. „Leuk, maar niet commercieel”, zegt Determeijer. „Daarvoor is het te raar.” Hij luistert nog even. „Met een zangstem erbij als van MIA, of misschien een rapper, kan het toegankelijker worden.”

Grenzen vervagen

Behalve de opkomst van de co-write laten deze sessies nog een andere trend zien: de afstand tussen de verschillende muzikale stijlen wordt kleiner. Ooit waren er strikte grenzen tussen de genres. Inmiddels doen singer-songwriters, rappers en danceproducers hun voordeel met elkaars specialiteit: de zang van het popnummer, de beat van de dance, de rauwheid van rap. In Bullet Sound worden de rappers, dj’s en singer-songwriters door elkaar gemixt: de singer-songwriter met de rapper, en de dj met de popartiest.

In een zijkamertje overlegt Eddy Steeneken van rockband Moke met twee negentienjarige danceproducers uit Gorinchem, die zich TV Noise noemen. TV Noise gebruikt doorgaans computers, maar wilde nu eens met echte instrumenten opnemen. Felix Maginn, ook van Moke, speelde een intro op akoestische gitaar, Steeneken mixt de pulserende beats van TV Noise er zo naadloos mogelijk tussen: „In dance moet alles perfect zijn”, zegt hij.

De vraag is wat dit soort schrijfkampen uiteindelijk oplevert. Nu, drie maanden later, vertelt Daan Determeijer dat er in die vijf dagen in Bullet Sound zo’n vijftig tracks gemaakt zijn, vaak nog schetsen. Zes nummers zijn helemaal af: steeds een combinatie van soepele house met zang. „Het afwerken van iets wat in twee uur ontstaan is, duurt lang”, zegt Determeijer. „Maar met sommige nummers zijn we al verder. Die zijn al aangeboden bij platenmaatschappijen, eventueel voor grote artiesten. Andere liedjes worden door de componisten zelf uitgebracht, zoals in het geval van Erik Arbores, die een nummer met Jan Rooymans maakte.”

Ondanks de positieve resultaten zijn er ook muzikanten die geen co-writes willen doen. Zangeres/songschrijfster Marike Jager, van wie deze maand een nieuwe cd verscheen met intiem klinkende, zelf geschreven nummers, zegt: „Ik hoorde de laatste tijd steeds over co-writes en writing camps”, zegt ze. „Muzikanten in mijn omgeving zeiden ‘Moet je ook eens doen, schrijven met anderen’. Ik heb het geprobeerd, verschillende keren, maar ik vond het een ambivalente ervaring. We spraken van tevoren bijvoorbeeld af dat we een Alicia Keys-achtig nummer zouden maken, of in de stijl van Mumford & Sons. En zo’n soort nummer werd het dan inderdaad. Heel braaf.

„Tijdens het schrijven, zo met onbekenden in een ruimte, ontstaat een vreemde situatie. Je kent elkaar niet, dus iedereen is op dat moment welwillend. Je past je aan elkaar aan. Maar het resultaat mist daardoor karakter, wat mij betreft. Ik kan op zo’n manier niet creatief zijn.”

Voor Simon Gitsels is die situatie juist vruchtbaar. „Vooraf is het steeds de vraag ‘Zit ik daar straks met ego-lozen of spelen er ego-krachten’”, zegt hij. „Met ego-lozen is het fijnst, zodat het beste idee wint, en niet de grootste mond.”

De opbrengst van een schrijfkamp is niet meteen concreet. Maar daar maakt Suzanne van den Dool, van Sony Publishing, zich geen zorgen over. „Ik heb het al een aantal keren meegemaakt, de laatste jaren. Je nodigt veel mensen uit, zit een week in de studio en maakt tientallen mooie liedjes die dan voorlopig niet gebruikt worden”, zegt Van den Dool. „Maar dat komt wel. Uiteindelijk wordt het ergens ter wereld door iemand opgepikt. Een liedje moet soms drie jaar zwerven voordat het een thuis vindt.”