opinie

    • Marcel van Roosmalen

De achterkant van het gelijk

Als geboren Arnhemmer kwam ik als student een paar jaar in Nijmegen terecht. Aan die periode hield ik in ieder geval tandarts Auw over, die ik de beste wortelkanaalbehandelaar van Nederland durf te noemen.

Eergisteren viel ik na een preventieve behandeling met mijn neus in de journalistieke boter. Het complete gemeentebestuur stond bij het station op het punt om met een sliert burgers achter zich aan naar het politiebureau te wandelen om daar aangifte te doen tegen Geert Wilders.

Je proefde de euforische eensgezindheid. Voor de enkeling die niet wist waar het over ging, was er een driemans brass-bandje dat de kern van de zaak – ‘wij zijn tegen haatzaaien’ – er met een vrolijk refreintje intoeterde.

Ik wrong me naar voren, tot vlak achter de bestuurders die de duimen omhoog staken naar applaudisserende Nijmegenaren. Ah, daar was de burgemeester, de fors uitgevallen heer Bruls van wie ze allemaal zeiden dat hij een aimabele levensgenieter was. Een echte burgervader, eentje met het biertje in de ene en de karwats in de andere hand. Als hij die laatste hanteerde, dan deed hij dat goed. Als Hubert Bruls zei ‘tot hier en niet verder’, bedoelde hij ook echt ‘niet verder’.

Verslaggevers hielden hem microfoons onder het hoofd waarin hij luid en duidelijk sprak. Voor de duidelijkheid splitste hij zichzelf in twee personages: ‘de privépersoon Hubert Bruls, die toevallig ook burgemeester Bruls is’ en ‘burgervader Bruls’.

De ‘privépersoon Hubert Bruls, die toevallig ook burgemeester Bruls is’ zei: „De heer Wilders is te ver gegaan, hij heeft een grens overschreden.”

‘Burgervader Bruls’ zei: „Ik sta boven de partijen.”

Daarna: „Ik doe aangifte als de privépersoon Hubert Bruls, maar ik ben daarnaast ook burgemeester Bruls.”

Of hij er een erectie van kreeg was niet te zien, maar Hubert Bruls genoot tijdens de wandeling zichtbaar van de inwoners van zijn stad. Juist toen hij iets over ‘de eensgezindheid’ wilde zeggen passeerden we iemand die in zijn eentje een afwijkende mening stond te hebben. ‘Bedankt Geert’, stond er op de Nederlandse vlag waarmee hij wapperde. De eenzame idioot slaagde er meteen in om sommige onder ons diep te kwetsen met eenpersoons spreekkoren over criminele Marokkanen, minder Europa en geleuter over vrijheid van meningsuiting.

Er waren er die hem eventjes gingen vertellen dat we voor dat laatste een stokje gingen steken, maar de meesten passeerden hem alsof hij lucht was. Van Hubert Bruls zag hij alleen de dikke kont van het gelijk. Het was onduidelijk of dit het achterwerk van de burgervader of de privépersoon was.

    • Marcel van Roosmalen