Lekker lompe lijven

De beelden van Thomas Houseago roepen herinneringen op aan grote kunstenaars als Rodin, Picasso en Giacometti.

Yet to be titled (Helmet Head on Plinth), 2013

Prop eerst een flinke stapel oude beelden in een teletijdmachine – Rodin, Giacometti, Josephsohn, Zadkine, dat werk. Voeg daar een vleugje exotisme aan toe (van hetzelfde soort waarmee Picasso zijn Demoiselles d’Avignon schilderde), wat deridiaanse deconstructie en vervolgens een flinke schep gips, klei en onbewerkt betonvlechtersijzer – en voilà, je hebt het oeuvre van de Britse beeldhouwer Thomas Houseago. Denk je, als je over zijn tentoonstelling loopt in het Gemeentemuseum Den Haag. Hoe je ook kijkt, wat je ook bedenkt, alle referenties, alle ideeën die Houseago met zijn beelden oproept, liggen in het verleden. Niet in het nu.

Prachtige beelden verder, daar niet van.

Zo raakt Houseago’s werk wel aan een interessant dilemma: kan dat, beelden maken die er volkomen ouderwets uitzien en die toch van nu zijn? En waar zit hem dat dan in?

Op het eerste gezicht is het probleem simpel, op het aandoenlijke af: je ziet aan alles dat Houseago enorm van beeldhouwkunst houdt. Hij vreet vast gips bij het ontbijt. Zijn werk is gedrenkt in beeldhouwgeschiedenis en uit alles spat een enorm plezier in houwen, lassen, kneden.

Binnen het beeldhouwersuniversum, op het niveau van ruimte en illusie, gebeurt er in zijn werk ook heel veel. Neem de (Study for) Rockefeller Giant (2013). Van de ene kant ziet dit eruit als een ruw gegipst staand beeld (Houseago gebruikt Tuf Cal, een soort kunstmatig versterkt gips) van een vrouw die haar handen tegen haar achterhoofd houdt – of is het haar voorhoofd? En dat vreemde platte, kopachtige ‘ding’ boven haar nek, is dat haar gezicht of een masker? Zulke raadsels worden alleen maar intrigerender als je om het beeld heen loopt: daar blijkt het helemaal glad te zijn, met wat potloodlijnen erbij, alsof je even achter een decor gluurt en de illusie genadeloos wordt doorgeprikt. Maar zelfs dan blijft de twijfel: wat is de voor- en wat de achterkant? Waar houdt de werkelijkheid op en begint de illusie? Doet dat er eigenlijk toe?

Of neem het beste werk op de tentoonstelling: Walking Boy V (2013). Net als de meeste van Houseago’s beelden is het lijf lekker lomp, opgezet in grote, zware hompen en is het hoofd een dun, met potlood betekend masker, wat spannend contrasteert met het zware volume van de rest van het beeld. Dit alles wordt nog beter als je beseft dat de jongen net zo loopt als de beroemde ijle, superdunne beelden van Albert Giacometti – maar waar die zichzelf op het eerste gezicht bescheiden wegcijferen om ondertussen de ruimte om hen heen zeer nadrukkelijk in beslag nemen, blazen Houseago’s beelden zich zo plompverloren op, dat het even duurt voor je beseft dat de lege ruimte bij hen juist van binnen zit. Kijk maar, de twee helften van het lijf zijn hol van binnen, tussen de voor- en de achterkant gaapt een akelige leegte. Houseago speelt dus met ruimte en leegte, met constructie en illusie – net als Giacometti.

Datzelfde idee zie je aan de grote, schijnbaar abstracte rechthoekige beelden met maanvormige uitsparingen die tegen de wanden staan geleund: die gaan bijna alleen maar over de mate waarin je je als beeldhouwer zoveel mogelijk ruimte kunt toe-eigenen terwijl je tegelijk zoveel mogelijk leeg laat. Houseago gebruikt die grote, maanvormige gaten om de spanning tussen leegte en aanwezigheid maximaal te vergroten en dan laat hij die platen ook nog eens verspringen zodat ze vanaf de zijkant beschouwd naar voren komen.

Dat is ook vast de crux: het gaat Houseago uiteindelijk allemaal om dit scheppen van aanwezigheid, van ruimte en leven uit het niets – niet voor niets wordt de vrij eenvoudige, bijna Brancusi-achtige kop Head of a Golem (die verwijst naar een mensfiguur die door een rabbijn uit klei werd gemaakt) gepresenteerd als sleutelstuk op de tentoonstelling. De kunstenaar als Schepper van nieuw leven. Als god. Houseago als schepper van een nieuw, eigen universum, het klinkt allemaal heel bekend. En belangrijk. En mooi.

En toch knaagt het.

Want waarom hangt er zo’n zware zweem van onvervuldheid om deze beelden? Waarom hou je zo sterk het gevoel dat je je evengoed niet druk om ze kunt maken? Dat zit ’m precies in het beeldhouwuniversum van waaruit Houseago opereert. En heel veel tijdgeest. Wie naar Houseago’s werk kijkt, begint langzaam te beseffen dat de aloude kunst-om-de-kunst die geobsedeerd is door zichzelf en door haar eigen problemen nu echt ouderwets is geworden. Dat constateringen als mooi, slim of goh alleen niet meer genoeg zijn, dat er van kunst steeds meer urgentie wordt gevraagd, al is het maar het besef dat kunst niet meer lekker in haar eigen wereld kan blijven ronddobberen – hoe hatelijk dat misschien ook klinkt, zeker als je zo goed bent als Houseago.

Natuurlijk, je kunt heel goed volhouden dat Houseago’s werk óók gaat over de hedendaagse condition humaine, over de mens die niet langer kan geloven in een monolithisch wereldbeeld, de mens die verscheurd is en zoekend, dat Houseago’s werk een commentaar is op de zelfingenomenheid van de kunst uit het Giacometti-tijdperk en dat zijn beelden in wezen hun eigen bestaan ontkennen – maar dat echt geloven is lastig.

Houseago is gewoon een geweldige, virtuoze, ouderwetse beeldhouwer die lekker in zijn eigen wereld aan het gipsen en gieten en lassen is. Dat is veel, maar misschien niet meer genoeg.

    • Hans den Hartog Jager