Het polderen zal nooit verdwijnen

Wat voor SER laat Wiebe Draijer achter? Een relikwie uit de tijd van de verzuiling, vindt hoogleraar Lex Hoogduin. Krachtig en invloedrijk, zegt Draijer zelf. Als alles meezit.

Het zit Wiebe Draijer dwars, ja. Hij vertrekt als voorzitter van de Sociaal-Economische Raad (SER), hét symbool van het Nederlandse polderoverleg van werkgevers en werknemers, om de nieuwe topman van de Rabobank te worden. Maar niet, zoals hij de afgelopen dagen las en hoorde, omdat de SER een zinkend schip zou zijn. Dus begint hij er meteen zelf over, gistermiddag op een regiobijeenkomst van de SER in Zwolle: „Ik vlucht niet.”

De SER adviseert de regering al sinds 1950, op verzoek en ongevraagd over sociaal-economische onderwerpen. In de raad zitten werkgevers, vakbonden en onafhankelijke Kroonleden, de experts. De tijd is voorbij dat het vooral oudere mannen waren: sigaren rokende ondernemers en shag draaiende vakbondsbestuurders. Maar de tijd is ook voorbij dat bijna elk rapport indruk maakte.

In het moeizame debat over de pensioenen doet de SER nog niet mee. Critici wijzen erop dat de raad al maanden niet meer plenair heeft vergaderd. Zelfs de tafelschikking in de Raadszaal zou ouderwets zijn: aan de ene kant zitten de werkgevers met uitzicht op het Haagse Bos, aan de andere kant de werknemers met uitzicht op een kleurrijk borduurwerk – en daartussenin de hooggeleerden.

Lex Hoogduin, oud-DNB-directielid en hoogleraar monetaire economie, zegt dat het poldermodel op sterven na dood is. „De SER is niet meer representatief voor de werknemers. Bij de werkgevers leek het stabiel. Maar Hans Biesheuvel stapte op als MKB-voorzitter en heeft nu zijn eigen club van ondernemers, buiten de SER.”

Ook Biesheuvel ziet voor de raad geen toekomst. „De SER is veel te groot en VNO-NCW en de FNV maken er de dienst uit”, vindt hij. Zijn idee: voeg de SER-Kroonleden toen aan de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. „Vakbonden en werkgevers kunnen overleggen zoals ze al doen: in de Stichting van de Arbeid.”

Maar Draijer vindt dat de tijd van de SER nog lang niet voorbij is. „Je kunt niet zeggen: zo was het toen en zo is het nu. Je moet het belang van de raad zien als een slingerbeweging, maatschappelijk en politiek. De SER is uniek in de wereld, en we zijn kwetsbaar door onze samenstelling, maar juist daardoor krachtig en invloedrijk als alle factoren goed staan.”

Dat betekent bijvoorbeeld: als de regering de adviezen serieus neemt en de sociale partners niet te veel met zichzelf bezig zijn. Toen Draijer begon, had Rutte I nauwelijks belangstelling voor de SER, de vakcentrale FNV zat in een hevige richtingenstrijd.

Onder leiding van Ton Heerts kwam de FNV er weer uit en Draijer bedacht nieuwe plannen: de raad moest niet alleen met grondige adviezen en aanbevelingen komen, maar ook met kortere, snelle analyses. Hij zette 45 belangenorganisaties samen met werkgevers en vakbonden aan tafel om tot het Energieakkoord te komen (over investeringen in duurzame energie).

Belangenclubs en zoveel mogelijk betrokkenen moet kunnen meepraten en meedenken, vindt Draijer. Voor een advies over de arbeidsmarkt laat de SER nu overal in het land werkzoekenden en zzp’ers met gemeenteambtenaren en uitkeringsinstantie UWV praten over hun ervaringen. „We hebben met ons overlegmodel goud in handen”, vindt hij. „Maar het is alsof we het in Nederland niet willen zien.”

Voorzitter Bernard Wientjes van VNO-NCW vindt de ‘kortademigheid’ in Nederland het belangrijkste probleem voor de SER: de politieke instabiliteit van de laatste jaren en de crisis die snelle besluiten vergde. „Maar de grote hervormingen in sociale zekerheid en arbeidsmarkt zijn er nu doorheen. Ik denk dat de hijgerigheid wel weg is.” Wientjes verwacht dat er dan weer extra oog zal zijn voor de degelijke adviezen van de SER.

Ook andere bestuursleden en Kroonleden van de SER denken dat er betere tijden aankomen. Maar ze denken ook dat de raad moet veranderen om mee te tellen. FNV-voorzitter Heerts ziet een SER voor zich die er lang niet alleen meer is voor ‘Den Haag’, maar ook met adviezen aanklopt in Brussel en bij gemeentes, die steeds meer te zeggen krijgen. „Ik weet niet precies hoe het eruit zal zien, maar ik vind het spannend.”

Albert-Jan Maat, voorzitter van de Land- en Tuinbouworganisatie, denkt dat de SER anders zou kunnen werken. Bij elk advies zeggen nu eerst de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers wat hun standpunt is over een onderwerp. Daarna zijn de experts, de Kroonleden, aan de beurt. Waarom niet andersom? „Je zou een doorbraak kunnen krijgen in het denken over zorg of innovatie als je eerst de Kroonleden aan het woord laat.”

Kroonlid Hans Kamps, scheidend voorzitter van de koepel van uitzendbureaus ABU, denkt dat het overleg dan nóg langer duurt. „Want daarna bemoeien de sociale partners zich er toch weer mee.”

Kamps zegt dat hij het overleg soms een beetje gezeur vindt. „Als er gedoe is over de komma links of rechts, of ruzie over het woordje moeten of mogen.” Maar uiteindelijk, denkt hij, worden besluiten sneller genomen als werkgevers en vakbonden het met elkaar eens zijn geworden.

Zijn idee over een andere SER: met Kroonleden die directeur zijn van een ziekenhuis, een school of bedrijf. „Die weten wat de adviezen betekenen in de praktijk. Ik vind de hoogleraren die nu Kroonlid zijn heel goed, maar het zijn wel veel hoogleraren.”

Wientjes van VNO-NCW denkt dat het polderen nooit uit Nederland zal verdwijnen. „Het zit in onze aard. Wij overleggen graag over alles.”

En als het kabinet verstandig is, zegt hij, vraagt het de SER om de leiding te nemen in het debat dat Rutte II wil over de toekomst van de pensioenen. „Men kan ook uit angst, met de kritiek van Hoogduin in het achterhoofd, kiezen voor een brede maatschappelijke discussie, zoals we in de jaren tachtig hadden over kernenergie. Dan wordt het een Poolse landdag.”