Column

Henk en Connie en het ‘minder’

Als iedereen kwaad is op de PVV, dan kom ik graag bij Henk en Connie Louer uit Tilburg-Oost, over wie het hier dan ook al eerder ging. Hogedrukspuiter en schoonmaker-voorvrouw waren ze, nu in de ziektewet. Ze doordringen je er als geen ander van dat je PVV-stemmers nooit met de neus in de lucht mag wegbonjouren. Ook blijven ze een raadsel. Eerst voerden Henk en Connie hartstochtelijk actie om asielzoeker Sharif Salihi na procedurefouten aan een verblijfsvergunning te helpen. Daarna was Connie helemaal niet te spreken over de ontmoeting van Wilders met Marine Le Pen, want Henks vader smokkelde nog Joden in de onderduik. En juist nu toch weer: wég van Wilders.

Ik had met Connie afgesproken in het huis van haar moeder, drie deuren naast dat van haarzelf. Zij is 78 en vergeetachtig, dankzij Connie hoeft ze niet naar een verzorgingshuis. Ze was piepklein. Toen ze open deed hield ze, op haar tenen en met gestrekt armpje, een envelop voor mijn neus. Connie had daarop geschreven dat ze onverwacht naar de dokter moest met een zieke zoon. „Ik ga niet naar het verzorgingstehuis!”, riep het moedertje me nog strijdlustig na.

Ik reed naar autosloperij Smulders om de hoek, van Henks neef. Henk zat bij een visvijver in de buurt, zeiden ze daar. Hans Smolders was op de radio, de chauffeur van Pim Fortuyn. Bij de gemeenteraadsverkiezingen won hij 5 zetels in Tilburg. Smolders zag de vrijlating van Volkert van der G. als het verraad van de elite. Maar Henk, die de dag na de moord op Pim Fortuyn ‘PIM’ op zijn borst liet tatoeëren, bleek aan een picknicktafel naast de visvijver weer eens genuanceerder. „Wat moet ik daar nou nog op zeggen? Volgens de wet kunnen ze hem niet meer vasthouden. Dus dan komt hij vrij.”

Ik had aangenomen dat hij, met zijn tatoeage, op Hans Smolders zou stemmen. Henk zette zijn pet recht. „Nee.” Hans had te lang zijn mond gehouden en als je ergens voor stond dan moest je dóórvechten.

Waarmee we vanzelf bij Wilders kwamen. Hoe die zijn ‘minder Marokkanen’ weigerde in te slikken. Prima, vond Henk: „Ik heb Pim niet voor niets op mijn borst.” Wat weer niet betekende dat ze het ook ééns waren. Henk vond dat Wilders het „anders had moeten formuleren”, dat hij het „echt niet op die manier had mogen zeggen”. En zei: „Het is helemaal niet eigen volk eerst natuurlijk. Dat gáát helemaal niet.”

Ik zei dat ik Marokkaanse kinderen had gesproken die er kapot van waren. „Ik sta áchter die kinderen”, zei Henk enigszins plechtig. Wat weer niet wegnam dat ze in zijn stamcafé allemaal erg hadden gelachen om ‘minder Marokkanen’, maar dat was voor de gezelligheid.

Wilders was „als Pim”. Wat betekende: doorvechten, de hoge heren je tanden laten zien. Kort samengevat, zei ik, waren Henk en Connie het dus vaak oneens met Wilders, maar zolang die bleef doortrappen was het goed.

Henk knikte. „Alle beslissingen worden in dit land voor je genomen”, zei hij. „Je voelt je steeds minder.”