Even langs bij de laatste Jood van Kabul

Schrijver Arnon Grunberg reist terug

naar Afghanistan. Deze keer niet met het leger, maar met een vriend, Qader Shafiq. Deel 4, slot van een serie.

Drank is een probleem in Afghanistan. Officieel is het verboden, maar de vraag blijft uiteraard bestaan. Ja, in de meeste ambassades zal drank te krijgen zijn, in het NAVO-hoofdkwartier, in bepaalde restaurants voor expats, zoals bijvoorbeeld Boccaccio in Kabul, waar matige wijn tegen hoge prijzen wordt geschonken, en waar rijke Afghanen zich ook soms komen laven aan de geneugten van een glaasje riesling. Maar verder zijn de Afghanen afhankelijk van reizigers die bereid zijn drank het land binnen te smokkelen. Een Afghaan vertelde dat het helpt de fles in te tapen, zodat hij niet wordt ontdekt door het röntgenapparaat van de douane. Het ergste wat je kan gebeuren is dat de douane het wel ontdekt en de drank zelf opdrinkt, maar je weet het nooit, je zal maar net op die ene zeloot stuiten die ook douanier is.

Mijn Afghaanse gids en vriend Qader Shafiq heeft overwogen om een fles whisky in mijn bagage te stoppen, maar uiteindelijk heeft hij het toch niet gedaan.

Zijn moeder, zijn broer, zijn neefjes en enkele van zijn nichtjes heb ik al ontmoet. Nu ontmoet ik zijn vrienden: Obeid, Khalil en Jawad. Met twee van hen heeft hij in de Oekraïense stad Charkov, toen nog Sovjet-Unie, gestudeerd. Khalil heeft ook in Nederland gewoond, maar is in 2005 teruggekeerd. Het lijkt alsof Afghanistan vol zit met teruggekeerde asielzoekers en familieleden van asielzoekers.

We rijden op een vrijdag in januari naar de stad Jalalabad, ongeveer 150 kilometer ten oosten van Kabul, richting Pakistan. Ik verbaas me erover dat op vrijdag, de heilige dag, de geïmproviseerde winkels, een soort stalletjes langs de weg, gewoon open zijn, maar Qader zegt: „Eerst de handel, dan de heilige dag.”

Kerstverlichting

De weg naar Jalalabad, een van de belangrijkste verbindingswegen met Pakistan, voert door de bergen, omhoog, omlaag, veel S-bochten, vrachtwagens die door het Nederlandse leger in Uruzgan ‘jingle trucks’ werden genoemd omdat ze versierd zijn met iets wat nog het meest lijkt op kerstverlichting. Bij een van die S-bochten staat een kind in een politie-uniform en dirigeert het verkeer.

„Dat zijn zelf benoemde politieagenten”, zegt Qader. „Zo hopen ze wat geld te verdienen.”

Die dag had ik in een Engelstalige Afghaanse krant gelezen dat Karzai zich zorgen maakt om bendes die kinderen als bedelaar verhuren. Ook is het bekend dat elke winter in vluchtelingenkampen in Afghanistan kinderen nog altijd doodvriezen. Politieagent spelen is uiteraard beter dan bedelen of doodvriezen.

Het gesprek in de auto gaat over de krijgsheer Hazrat Ali, die samen met de Amerikanen tegen de Talibaan had gevochten. Hij stond bekend om zijn wreedheid. Op een ochtend verliet hij zijn villa. Even later kwam hij terug, althans dat dachten de bewakers van zijn villa. Maar niet Hazrat Ali zat in de auto, zijn vijanden zaten erin. Ze vermoordden zijn vader en kidnapten Hazrat Ali’s zuster en vrouw. Kort daarop ontving hij videobanden waarop te zien was hoe zijn zuster en vrouw werden verkracht. Daarna werd het stil rond Hazrat Ali. „We zijn een gastvrij volk”, zegt Qader, „maar de oorlog heeft ons wreed gemaakt.”

In een voorstad van Jalalabad, Daronta, stoppen we bij het visrestaurant Rahim Jan Khalil Jan, oftewel de gebroeders Jan. Het restaurant bestaat uit een open keuken langs de rivier, een bassin met vissen, en een geïmproviseerde huiskamer waar op de grond kan worden gegeten, zoals gebruikelijk in Afghanistan en eigenlijk heel praktisch.

De vissen worden uit het bassin gevist en op de grond gegooid. Ze springen dan nog even als stuiterballen omhoog en worden vervolgens onthoofd en bereid. De vis is heerlijk. Zo slecht is het leven in Afghanistan niet, ook zonder riesling en whisky.

De vrienden van Qader vertellen over een sikh die in Afghanistan in de gevangenis zat wegens drugsgebruik. De sikh hoorde dat hij gratis drugs zou krijgen als hij zou toetreden tot de islam. Daarop besloot hij zijn haren te knippen, wat sikhs eigenlijk niet mogen doen, en zich te bekeren. Dat is overigens niet ingewikkeld, je hoeft alleen maar in het bijzijn van getuigen te zeggen dat je Allah en Mohammed erkent. Een Hazara – de Hazara’s zijn een grotendeels shi’itische stam in centraal-Afghanistan – hoorde over deze sikh die was bekeerd en schonk hem uit vreugde een van zijn dochters. De Afghaanse televisie kreeg daar lucht van, de sikh en zijn schoonfamilie werden nationale beroemdheden. Op de bruiloft bleek dat de voormalige sikh was uitgehuwelijkt aan – volgens de vrienden van Qader – een van de lelijkste vrouwen van Afghanistan. Een van de vrienden zegt: „Pas maar op dat jou dat niet overkomt”, want officieel ben ik in Afghanistan om een vrouw te vinden. „Ik wil best met een Hazara-meisje trouwen”, antwoord ik, „maar wel een mooie.”

Later hoorde ik van een Afghaanse dat ik niet met een Hazara-vrouw moet trouwen, „want de Hazaren denken alleen aan hun eigenbelang”.

In de namiddag rijden we terug naar Kabul. Halverwege stoppen we bij de Kabul-rivier en eten granaatappels. „Is er hier een beetje vooruitgang?”, vraag ik aan Khalil, terwijl het sap van de granaatappels langs onze kinnen druipt. Hij is zakenman, hij zou het moeten weten. „In 2005 was het nog redelijk”, zegt hij, „daarna werd het alleen maar erger.”

Een verblijf in Kabul is niet compleet zonder een bezoek aan het Nationaal Museum. Geplunderd en vernietigd ten tijde van de burgeroorlog en het bewind van de Talibaan, maar weer opgebouwd met donaties van het Westen en met hulp van een directeur, die voor zijn inspanningen de Prins Claus Prijs heeft gekregen. Het museum is koud en leeg. Er is een speciale tentoonstelling over boeddhisme in Afghanistan.

In een van de zalen zit een suppoost bij een gasstelletje om zich aan te warmen en om te koken. Ze bereidt een linzenmaaltijd.

Pooier

De suppoost is wat mij betreft interessanter dan de tentoonstelling. Ze heet Shahla, ze is 52 jaar en heeft drie dochters. Ze verdient 4.500 afghani per maand (80 euro, een brood kost 10 afghani, een warme maaltijd in een simpel restaurant tussen de 150 en 200 afghani). Shahla werkt al decennia voor het museum, maar toen de Talibaan aan de macht kwamen, werd ze overgeplaatst naar het ministerie. In 2001 is ze weer begonnen te werken in het museum, haar man heeft geen werk. „Karzai heeft alleen zichzelf verrijkt”, zegt ze. „Ik was arm en ik ben arm gebleven. Om rijk te worden in dit land moet je een pooier zijn.” Dan biedt ze ons wat van haar linzen aan.

In de Bloemenstraat in Kabul, waar de bloemenwinkels zijn, woont de laatste Jood van Kabul. Er waren er twee, maar een is weggegaan. „Die moet je nog even zien”, zegt Qader.

Daar ben ik het mee eens.

Na enig rondvragen vinden we de laatste Jood van Kabul in zijn appartement, dat eruitziet als een ruïne. Hij vraagt mij in het Hebreeuws hoe ik heet. „Jullie kunnen me nu niet interviewen”, zegt de laatste Jood, „ik ben mijn kleren aan het wassen. Kom morgenochtend om 11 uur bij me langs en neem geld voor me mee.”

We lopen de trap af. „Typisch”, zegt Qader, „hij praat alleen tegen betaling met ons.” Ik schaam me. De laatste Jood van Kabul geeft de Joden een slechte naam. Als we de volgende dag bij hem op de stoep staan, is hij in geen velden of wegen te bekennen, maar kort daarvoor heb ik een leuk Afghaans meisje ontmoet op wie ik verliefd ben geworden. Ze heeft in Nederland gestudeerd, als dochter van een Afghaanse asielzoeker, maar ze is teruggekomen om haar land op te bouwen.

Je kunt een min of meer gerespecteerd literator in Nederland en omstreken zijn of je kunt de laatste Jood van Kabul worden. Het eerste wordt snel saai, het tweede trekt me meer.

Ik beloof dat ik geen geld zal vragen voor interviews.