Top levert bescheiden, maar zinvolle vooruitgang op

De nucleaire top die de afgelopen dagen plaatsvond in Den Haag heeft opgeleverd wat ervan verwacht werd: bescheiden, maar zinvolle vooruitgang op het gebied van nucleaire veiligheid. Het is een tussenstap in een lang proces dat uiteindelijk moet zorgen dat al het civiele nucleaire materiaal in de wereld beveiligd is en onbereikbaar voor terroristen.

Ook in 2016, als in Chicago de volgende nucleaire top wordt gehouden, zal dat doel nog niet zijn bereikt. Maar de reeks conferenties waartoe president Obama het initiatief heeft genomen – in 2010 in Washington, in 2012 in Seoul en nu in Den Haag – hebben er wezenlijk toe bijgedragen dat meer landen werk maken van nucleaire veiligheid. Het aantal landen dat gevaarlijk nucleair materiaal heeft (hoog verrijkt uranium en plutonium) is sterk afgenomen. In Den Haag hebben 35 (van de 53 aanwezige) landen afgesproken richtlijnen van het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) om te zetten in nationale wetgeving. En de omgang met radiologisch materiaal, bijvoorbeeld in ziekenhuizen en laboratoria, is de afgelopen jaren zorgvuldiger geworden.

Zo kun je inderdaad zeggen dat door de reeks topconferenties „de wereld veiliger is geworden”, om de woorden aan te halen waarmee premier Rutte gistermiddag tevreden terugkeek op het evenement in Den Haag.

Maar hoevéél veiliger is moeilijk te zeggen. In de eerste plaats hangt veel af van de ernst waarmee de deelnemers de praktische afspraken waar ze hun handtekening onder hebben gezet ook in de praktijk brengen. Daarnaast is het effect van de afspraken hoe dan ook beperkt, omdat het aantal deelnemende landen uit praktische overwegingen beperkt is gehouden.

Critici van de top hekelden het feit dat vermindering van kernwapens niet op de agenda stond en er alleen over beveiliging van civiel nucleair materiaal is gesproken. Er is immers meer dan vijf keer zoveel militair als civiel nucleair materiaal in de wereld.

Toen Obama zijn initiatief voor meer nucleaire veiligheid nam, gaf hij tegelijk een enorme politieke impuls aan de vermindering van het aantal kernwapens en het streven om ze uiteindelijk allemaal uit te bannen. Maar dat is in de eerste plaats een zaak voor de Verenigde Staten en Rusland, die nog altijd meer dan 90 procent van de kernwapens hebben, en niet voor een grote internationale top. En na het zogeheten Nieuwe START-verdrag voor vermindering van kernwapens, uit 2010, bieden helaas noch de Amerikaans-Russische betrekkingen, noch de verhoudingen in het Amerikaanse Congres, zicht op enige vooruitgang op dit terrein.