Teloorgang christendom was sprong voorwaarts

Niet het christendom maar kennis gaf de mensheid zelfvertrouwen, vindt Paul Frentrop.

Illustratie Nerilicon

De stichting Werkelijkheid in Perspectief, opgericht door Frits Bolkestein, Paul Cliteur en Meindert Fennema, wil van de intellectuelen van Nederland horen of de teloorgang van het Christendom in Europa het (zelf)vertrouwen in de Europese cultuur heeft ondermijnd.

De stichting heeft zich laten inspireren door de prijsvraag die de Academie van Dijon in 1749 heeft uitgeschreven. Ze had zich beter kunnen later inspireren door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen die in 1759 een prijs uitloofde voor het antwoord op de vraag: „Welken zijn de natuurlijke Oorzaken waarom de Runder-Sterfte nu zoo veel langer duurt, dan in de vorige tijden, en welken zijn de voorzorgen om dezelve van ons vee af te wenden, als het Vee op den Stal staet en de Ziekte in onze Nabuurschap begint te ontsteken?”

Dergelijke praktische vragen stonden immers aan de basis van ‘de Verlichting’, die periode in het denken die de Westerse mens zijn zelfvertrouwen gaf en de aanzet gaf tot twee eeuwen spectaculaire vooruitgang in wetenschap, welvaart en mensenrechten. In 1759 wisten intellectuelen al donders goed dat christendom fnuikend is voor zelfvertrouwen en dat alleen kennis vertrouwen geeft. Ten tijde van de Verlichting ontwikkelde Europa zijn zelfvertrouwen, dankzij de teloorgang van het christendom, hetwelk zich overigens heftig verzette. Zo sprak Zijne Heiligheid Clemens XIII op 31 januari 1759 zijn vervloeking uit over De l’Esprit van Helvetius, dat ‘de wortels van het christendom aanvrat.’ Op 10 februari werd het boek in Parijs door de beul publiekelijk verbrand samen met Voltaire’s ‘Poème de la loi naturelle’ dat eveneens godslasterlijk werd geacht. Later dat jaar werd ook de grote Encylopédie van D’Alembert en Diderot verboden, de eerste grote dataverzameling die door alle menselijke kennis bijeen te brengen de vooruitgang wilde dienen.

Maar het Europese zelfvertrouwen liet zich niet kisten en kreeg in 1759 een enorme opsteker toen geheel volgens voorspelling de komeet Halley in Europa zichtbaar werd aan de hemel. Edmond Halley had het zo berekend en daarmee was de hegemonie van het christendom definitief afgeworpen. In 1759 was God van absoluut heerser over het heelal teruggebracht tot hooguit een constitutionele vorst, die zich had te houden aan (natuur)wetten die door de mens begrepen konden worden.

Ook nederiger nieuwe kennis deed het zelfvertrouwen groeien. Op 13 februari 1759 noteerde de jonge pottenbakker Josiah Wedgwood op de eerste bladzijde van zijn aantekenboekje: ‘Feb. 13 – 1759 – Experiment 1.’ Hij zou nieuwe manieren van glazuren ontdekken en zo met zijn porseleinfabriek een fortuin vergaren, dat zijn kleinzoon in staat zou stellen tot een reis om Zuid-Amerika. Deze Charles Darwin zou op basis van de vergaarde kennis honderd jaar later zijn baanbrekende On the Origin of Species by Means of Natural Selection publiceren.

En in 1759 werkte de 23-jarige James Watt aan de stoommachine, de krachtbron, die de Europese mens meer zelfvertrouwen zou geven dan het christendom ooit had gedaan. Dat christendom werd intussen vakkundig ontmand. Op 15 januari 1759 verscheen Voltaire’s ‘Candide ou l’ Optimisme’ over de schlemiel Candide die de verschrikkelijkste rampen meemaakt. Het behandelt op geestige wijze het theologische vraagstuk hoe het mogelijk is dat er slechte dingen gebeuren als God goed en almachtig is? De conclusie ligt voor de hand: als er een God bestaat, kan of wil hij het kwaad blijkbaar niet opheffen. Als hij het niet kan, dan is God niet almachtig. Als hij het niet wil, dan is hij kwaadaardig. Ook dit boek werd verboden, maar het was de zelfbewust wordende mens in Europa duidelijk dat hij voor kennis van goed en kwaad niet bij het christendom moest zijn. Een alternatief bood Adam Smith. In 1759 kwam zijn The Theory of Moral Sentiments uit en op 12 april kon zijn vriend David Hume hem vanuit Londen schrijven: „Drie bisschoppen bezochten gisteren Millar’s boekhandel om exemplaren te kopen en deden navraag naar de auteur. De bisschop van Petersborough vertelde dat hij de avond tevoren had doorgebracht in een gezelschap waar het boek werd uitgeroepen tot het beste ter wereld. Kun je nagaan wat echte filosofen van je werk zullen vinden, als deze bewaarders van het bijgeloof het al zo hoog prijzen.”

In The Theory of Moral Sentiments verklaarde Smith ‘sympathie’ tot de belangrijkste drijfveer van de mens. Kijk maar, schreef Smith, als mensen blij zijn en lachen, wordt iedereen in het gezelschap geacht om ook te lachen. Wie dat niet doet, wordt daarop aangekeken. Bij een begrafenis, waar iedereen verdrietig is, zal geen bezoeker het in zijn hoofd halen om te gaan lachen. Goed en slecht gedrag zijn gebaseerd op medeleven, op sympathie.

Het is echter niet automatisch zo dat mensen meeleven met de ander. Als iemand boos is, willen we eerst weten waarom de ander boos is. We delen die woede niet zomaar. Dat doen we pas als we het met de ander eens zijn over de oorzaak. Daaruit concludeert Smith dat sympathie niet ontstaat uit het zien van de emotie van de ander, maar dat we de emotie die een ander toont, proberen te begrijpen door ons in diens situatie te verplaatsen en ons voor te stellen wat wij zouden voelen als ons overkwam wat die ander is overkomen. We ‘sympathiseren’, aldus Smith.

Deze denkers en doeners vormden ‘de Verlichting’. Hun zelfvertrouwen bracht vooruitgang. Van religies komt die niet. Religies staan nu eenmaal niet open voor verandering, ook niet voor verbetering. Wij mogen God op onze blote knieën danken dat een zelfbewust Europa zich sinds 1759 heeft ontworsteld aan het Christendom.