Opinie

    • Hans Beerekamp

Gewichtsproblemen in een stripteasetent

Shawneys ouders in ‘The Manor’ (2Doc, VPRO).

Als de gebeurtenissen in een documentaire zo onwaarschijnlijk lijken dat je er in een speelfilm niet mee weg zou komen, dan zit je als kijker goed. Je weet dan immers dat er niets verzonnen kan zijn.

Zo’n voortreffelijke documentaire kwam gisteren totaal onverwachts langs in de rubriek 2Doc (VPRO). Het Canadese The Manor is een egodocument, maar ook een zwarte komedie, een zedenschets en een bizarre vorm van observerende cinema. De VPRO kondigde het aan als een kruising van Grey Gardens (over twee excentrieke oude dames) en de misdaadserie The Sopranos. De eenden in Tony’s zwembad zijn nu zwanen in een vijver geworden. Zouden ze monogaam zijn voor het leven, vraagt hoofdpersoon Shawney Cohen, tevens regisseur van de documentaire, zich af? Zijn moeder denkt van wel: „Hun kopjes zijn te klein om slimmer te wezen.”

The Manor begint met het beeld van Shawney die een neonreclame van een blote vrouw schoonmaakt: „Ik noem mezelf een filmmaker, maar feitelijk werk ik in een stripclub.” Het is een familiebedrijf, weinig riant gesitueerd op een parkeerplaats in de stad Guelph, bij Toronto.

Maak kennis met Shawneys jongere broer Sammy, die veel meer plezier heeft in dit werk, en hun ouders: Roger weegt 170 kilo, Brenda slechts 39. Al snel gaat The Manor niet meer over de wederwaardigheden van lapdancers, maar vormt de club eerder het troosteloze decor van vergooide levens met een gewichtsprobleem.

Roger is cynisch en eenzaam, leed als immigrantenkind honger en schept nu alleen nog plezier in eten. Brenda is dochter van Joodse overlevers van de concentratiekampen en voelt zich alleen niet depressief wanneer ze vast. Haar tanden vallen uit haar ingezakte kaken, haar botten zijn broos. Ze is opgehouden met eten toen Roger dertig jaar eerder The Manor kocht.

Wat er precies speelt tussen dit curieuze paar en hun zoons, daar kom je nooit helemaal achter. De film, voornamelijk gedraaid door co-regisseur Mike Gallay, interpreteert noch moraliseert. Ook grijpen de filmers niet in, wanneer er de verschrikkelijkste dingen worden gezegd of gedaan. Daar kun je als televisiekijker, die graag goed en kwaad netjes geordend ziet worden, een beetje narrig van worden, maar het is de enige juiste keuze. Shawney, die ook in het onderhouden van zijn eigen relaties weinig geluk ervaart, wil de wereld alleen maar laten zien in welk krankzinnig universum hij verkeert. Kijk goed: dat zijn nou mijn ouders!

Na een maagverkleinende operatie wordt de vader iets milder. Hij valt 35 kilo af en verricht sociaal werk door daklozen op te vangen in het aan de club verbonden hotel. Maar de omslag houdt niet lang stand, want eten is toch te lekker. Brenda, altijd tiptop opgemaakt voor de camera, zelfs in een ziekenhuisbed met gebroken heup, blijft eruit zien als de dood van pierlala. En aan het einde werkt Shawney nog steeds elke zondag en maandag in de club tussen de getatoeëerde, halfnaakte paaldanseressen.

Of de onmacht nu komt door syndromen van de tweede en derde generatie, aangeboren gekte of als straf voor de zonde, wie zal het zeggen. Ik zou denken: het menselijk tekort, een ideaal onderwerp voor documentaires.

    • Hans Beerekamp