‘Eigenlijk wil ik geen Poolse filmer zijn’

De maker van het meesterlijke ‘Ida’ werd geboren in Polen, maar groeide op in Engeland. Voor het eerst maakte hij een film in zijn geboorteland. „Het Poolse landschap is doordrenkt met bloed.”

In 1962, het jaar waarin zijn film Ida speelt, was regisseur Pawel Pawlikowski nog maar vijf jaar oud. „Ik was nog een kind, maar heb het gevoel dat ik me de atmosfeer in Warschau nog kan herinneren”, zegt hij. Ondanks het feit dat hij na de scheiding van zijn ouders al in 1966 met zijn moeder in Engeland ging wonen, klinkt in zijn Engels het Poolse accent nog duidelijk door. In Ida gaat een jonge vrouw, die op het punt staat in te treden in een klooster, op zoek naar haar verleden. Ze blijkt een joodse wees te zijn, die met haar tante die inmiddels rechter is in de communistische staat, wil achterhalen wat haar familie tijdens de oorlog is overkomen.

Waarom juist 1962? Dat was een jaar waarin er niets bijzonders gebeurde. Waarom niet bijvoorbeeld de Poolse revolte tegen het stalinisme van 1956?

„Ik wilde juist een ondramatische, niet nadrukkelijk politieke film maken. Vandaar dat vage jaar, een van de jaren van de poststalinistische dooi in Polen. De sfeer was ontspannen, een beetje Westers en tegelijkertijd zeer Pools. Er was ook een explosie van cultuur, zoals ik in mijn film verbeeld met de Poolse jazzband. De mensen wisten zich, na de gruwelen van het Stalinisme, weer een houding te geven.”

Bent u nostalgisch naar het Polen van uw vroegste jeugd?

„Ik denk dat het communistische Polen in deze jaren een aardiger land was dan in 1977, toen ik met een Brits paspoort voor het eerst mijn vaderland weer kon bezoeken. Toen trof mij de rauwheid van alles: het door de industrialisatie en de trek naar de steden ontvolkte platteland, de afwezigheid van een intelligentsia die na 1968 het land was ontvlucht, de groeiende rol van de rooms-katholieke kerk in de Poolse samenleving. Ik vond Polen ruw, grauw en zeer deprimerend. Dat is ook de reden dat ik lang geen film heb willen maken die in Polen speelde. Die zou erg negatief zijn uitgevallen. En ik wilde ook niet een soort nestbevuiler zijn. Dat is typisch het emigrantensyndroom. Het was niet aan mij om, vanuit het veilige Engeland, veroordelend te zijn over Polen en de politiek daar. Als ik het geprobeerd zou hebben, had ik mezelf vermoedelijk in onaanvaardbare mate gecensureerd. Er waren bovendien Poolse filmmakers die dat veel beter konden: Krzysztof Kieslowski, Andrzej Wajda, Agnieszka Holland. Overigens in een vaak barokke stijl die de mijne niet is. Ik voel me geen Poolse filmmaker.”

In 1962 mag Polen dan een aantrekkelijk land geweest zijn, tocht stelt u zware thema’s over de nawerking van de oorlog aan de orde.

„De context van het verhaal is tragisch: het in bloed gedrenkte Poolse platteland.”

Waarom koos u voor de rol van Ida een niet-professionele actrice, de studente filosofie Agata Trzebuchowska?

„Een vriend van mij zag haar in Warschau in een café een boek zitten lezen en was meteen onder de indruk. Ze had geen enkele acteerervaring en is ook nog steeds niet van plan om door te gaan met acteren. Maar ze was geknipt voor de rol. De meeste mensen zijn voortdurend in de weer met een soort gezichtsgymnastiek. Ze nemen gezichtsuitdrukkingen aan: verleiden, zijn boos, noem maar op. Agata doet dat niet, en tegelijkertijd gebeurt er iets in haar ogen als ze speelt.”

Dit is uw eerste film die Polen als onderwerp heeft. Wel heeft u eerder werk gemaakt over Russische thema’s, en over het beleg van Sarajevo door de ogen van Radovan Karadzic. Waarom wel andere Slaven, maar niet de Polen?

„Zoals gezegd: ik was bevreesd dat ik niet onbevangen zou zijn. Maar ik zag er ook tegenop in een film van alles te moeten uitleggen: wat was het communisme, het fascisme. Maar al te vaak mondt dat uit in allerlei belachelijke stereotypen. Met Ida had ik voor het eerst het gevoel dat ik het anekdotische verhaal zijn werk kon laten doen. En dat de kijker zelf slim genoeg is om de ontbrekende stukjes in te vullen.”

Uw film refereert aan de pijnlijke kwestie van het ‘inheemse’ antisemitisme van Polen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hoe is de film in Polen ontvangen?

„Heel goed, zowel in de bioscoop als op festivals. De rol van het Poolse antisemitisme is al sinds jaren eigenlijk geen taboe meer. Er wordt ook veel over geschreven door historici. De Poolse cinema is in politiek opzicht tegenwoordig vrij van complexen. Maar ik weet niet of ik wel tot de Poolse cinema wil worden gerekend. Nog een film over Polen, en dan word ik in Polen geannexeerd bij de nationale cinema. Dat wil ik eigenlijk niet. Ik wil liever vrij blijven.”

    • Raymond van den Boogaard